>>>Regels omtrent belastingvrijstelling verenigingswerk, occasionele diensten en deeleconomie gepubliceerd (Lauwers & Seutin)

Regels omtrent belastingvrijstelling verenigingswerk, occasionele diensten en deeleconomie gepubliceerd (Lauwers & Seutin)

Auteur: Thierry Lauwers (Lauwers & Seutin)

Publicatiedatum: 24/08/2018

De regels omtrent de fiscale vrijstelling voor inkomsten uit verenigingswerk, occasionele diensten en de deeleconomie zijn gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

De wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie werd op 26 juli 2018 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

In deze wet wordt voorzien in een vrijstelling van 6.130 EUR (geïndexeerd voor aj. 2019) op jaarbasis, voor bepaalde in de wet opgesomde diensten die kaderen binnen het “verenigingswerk” en voor bepaalde occasionele diensten tussen burgers.

De diensten waarvoor de vrijstelling geldt zijn limitatief opgesomd in de wet zelf. Niettemin werd intussen reeds een wetsvoorstel ingediend om de lijst van activiteiten in het kader van het verenigingswerk aan te passen. Men mag zich dus kortelings reeds verwachten aan een wetswijziging.

De aangehaalde vrijstelling geldt eveneens voor inkomsten uit de deeleconomie. Het bestaande afzonderlijk belastingtarief van 20 % voor deze inkomsten verdwijnt dus.

Er dient te worden benadrukt dat de vrijstelling van 6.130 EUR op jaarbasis één enkele globale vrijstelling betreft. De belastingplichtige kan naar eigen believen deze vrijstelling opvullen met inkomsten uit verenigingswerk, occasionele diensten en de deeleconomie tot het plafond bereikt wordt.

Naast het jaarlijks plafond bestaat er eveneens een maandelijks plafond, doch enkel voor wat betreft de inkomsten uit diensten in het kader van het verenigingswerk en de occasionele diensten tussen burgers. Deze maandgrens bedraagt thans 1/12 van de jaargrens, oftewel 510,83 EUR.

In het geval de jaargrens van 6.130 EUR wordt overschreden inzake het verenigingswerk en de occasionele diensten tussen burgers, worden deze inkomsten hoe dan ook onderworpen aan de RSZ- bijdragen, aangezien op sociaal vlak wettelijk wordt vermoed dat deze inkomsten zijn voortgebracht uit een beroepsactiviteit. Het leveren van een tegenbewijs is niet mogelijk.

Op fiscaal vlak voorziet de wet echter wél dat een tegenbewijs mogelijk is. Indien zulk tegenbewijs wordt geleverd, wordt het gehele inkomen belast als divers inkomen aan het afzonderlijk tarief van 33 %. Wordt dit tegenbewijs niet geleverd, geldt er een belastbaarheid als beroepsinkomen aan de progressieve tarieven.

Bij het overschrijden van de maandgrens van 510,83 EUR is de sanctie op sociaal en fiscaal vlak gelijk. De inkomsten worden, voor wat betreft de betrokken maand, als beroepsinkomsten beschouwd en als worden als zodanig belast en onderworpen aan de RSZ-bijdragen. Deze inkomsten blijven uiteraard eveneens meetellen voor de beoordeling van de al dan niet overschrijding van de jaargrens.

Voor wat betreft de inkomsten uit de deeleconomie wordt niet voorzien in een maandgrens. Bij het overschrijden van de jaargrens is het eveneens mogelijk om het tegenbewijs te leveren dat er geen sprake is van een beroepsinkomen, in welk geval de inkomsten worden belast als divers inkomen aan het afzonderlijk tarief van 33 %. Desgevallend zullen evenmin RSZ-bijdragen verschuldigd zijn.

Alle aspecten van deze wet zijn reeds in werking getreden en dit uiterlijk op 1 juli 2018.

Lees hier het originele artikel

2018-09-09T10:42:58+00:00 9 september 2018|Categories: Directe belastingen - Fiscaal recht|Tags: , |