>, Straf- en strafprocesrecht>Wanneer vaste rechtspraak onterecht een ‘bom’ wordt genoemd (Waeterinckx Advocaten)

Wanneer vaste rechtspraak onterecht een ‘bom’ wordt genoemd (Waeterinckx Advocaten)

Auteur: Patrick Waeterinckx (Waeterinckx Advocaten)

Publicatiedatum: 12/04/2021

Vandaag, maandag 12 april 2021, verscheen in De Standaard het nieuwsartikel “Hof van Cassatie werpt fiscale bom naar zondaars”. Deze ‘bom’ zou het gevolg zijn van een cassatie-arrest van 13 oktober 2020 (P.20.0550.N).

Deze rechtspraak is echter helemaal niet zo revolutionair als men in het artikel laat uitschijnen (zie ook Gerd Goyvaerts en Ana Laura Claes) . Zij past gewoon toe wat al jaren de regel is om te beoordelen of bij een vervolging voor witwassen de vermogensvoordelen een illegale oorsprong hebben, m.a.w. of ze voortkomen uit een misdrijf, bv. belastingfraude, misbruik van vennootschapsgoederen, (sociale) oplichting, enz.

Die regel luidt dat vermogensvoordelen als illegaal worden bestempeld als elke legale oorsprong ervan kan worden uitgesloten. In essentie omvat die regel – die vaste rechtspraak is van het Hof van Cassatie – een negatief geformuleerde zekerheid. Het is vrij evident dat om na te gaan of elke legale oorsprong kan worden uitgesloten, de rechters bij die beoordeling kijken naar de feitelijke gegevens en ook de toelichting in aanmerking nemen die de beklaagde eventueel geeft over de oorsprong van de vermogensvoordelen (toelichting die hij niet verplicht is te geven en waarbij uit zijn eventueel stilzwijgen alleen niet mag worden besloten tot een illegale oorsprong).

Die regel moet worden gekoppeld aan een andere vaste regel die geldt bij de beoordeling van de strafrechtelijke schuld en die erin bestaat dat twijfel geldt in het voordeel van de verdachte.

Welnu, uit het arrest van 13 oktober 2020 dat men vandaag in de pers als revolutionair meent te moeten bestempelen, valt weinig nieuws onder de zon te rapen. In dat arrest stelt het Hof van Cassatie vast dat een rechter de geloofwaardigheid van het verweer van de beklaagde mag beoordelen en dat hij daarbij volgens de normale regels van het bewijsrecht in strafzaken alle feitelijke vermoedens mag betrekken die hem overtuigen van de schuld van de beklaagde. Het Hof van Cassatie herhaalt daarbij zijn uitgangspunt dat de rechter finaal bij zijn beoordeling elke legale oorsprong moet kunnen uitsluiten en dat daarover geen redelijke twijfel mag bestaan.

Los van enig waardeoordeel over die vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, wat niet het voorwerp is van dit nieuwsbericht, kan men zich wel afvragen wat er dan zo revolutionair is aan dit arrest.

Wil men echter fiscale en penale gemoedsrust, dan doet het voorgaande natuurlijk geen afbreuk aan de mogelijkheid om een fiscaal ‘onrein verleden’ correct te regulariseren. Voor meer details in dat verband kan worden verwezen naar P. WAETERINCKX en G. GOYVAERTS, “Cass. 19 november 2019 over de beweerdelijke fiscale valsheid in geschriften ter zake fiscale regularisatie”, TFR 2021, 315-329, noot onder Cass. 19 november 2019 (ter perse).

Lees hier het originele artikel