>>>Voorontwerp van wet houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekening (november 2020 – federale regering) – 7 kritische kanttekeningen (Jus-tax)

Voorontwerp van wet houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekening (november 2020 – federale regering) – 7 kritische kanttekeningen (Jus-tax)

Auteurs: Paul Verhaeghe en Roel Deseyn (Jus-tax)

Publicatiedatum: 08/12/2020

Wat ?

De Regering is van plan effectenrekeningen waar meer dan 1 miljoen EUR op staat te onderwerpen aan een taks van 0,15%. Om de waarde van 1 miljoen EUR (in de referentieperiode tussen 1 oktober jaar X en 30 september jaar X+1[1]) te bepalen wordt gekeken naar de gemiddelde waarde op vastgelegde ijkmomenten (laatste dag van elke driemaandelijkse periode).

Wie ?

De standaardregeling is dat de Belgische tussenpersoon de administratie en betaling doet. Buitenlandse tussenpersonen kunnen een vertegenwoordiger in België aanstellen.  Belgische tussenpersonen dienen een aangifte in uiterlijk op de twintigste dag van de derde maand die volgt op het einde van de referentieperiode.

Hoe ?

De betaling gebeurt op hetzelfde moment voor die categorie. Wanneer de titularis verantwoordelijk is geschiedt een elektronische aangifte ten laatste bij indiening van aangifte in personenbelasting. Voor de verantwoordelijke titularis volgt betaling uiterlijk op 31 augustus van het jaar volgend op het einde van de referentieperiode. De Fiscus heeft verruimde controlemogelijkheden (inlichtingen bekomen, boetes bij gebrek aan of bij foutieve mededeling). In het voorontwerp zit een retro-actieve anti-misbruikbepaling (30 oktober 2020).

Waar ?

Daartoe wordt het Wetboek Diverse Rechten en Taksen aangepast (herstel van titel X).

Oormerken bestedingen

De opbrengst is bedoeld voor de financiering van sociaal beleid. Dit garandeert meer structurele financiering van de sociale zekerheid, maar ondermijnt politieke keuzes bij begrotingen. De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft bedenkingen bij deze preferentiële toewijzing.

Hoeveel ?

Voor de opbrengst worden bedragen tussen  428 miljoen (Fed.Reg.) en 700 miljoen EUR[2]  geciteerd.

1ste pijnpunt : Het belastbaar voorwerp : de effectenrekening is als enig belastbaarbaar voorwerp niet proportioneel verantwoordbaar vanuit het normdoel.

Er wordt belast in functie van een medium.: “..om financiële instrumenten te beheren en te centraliseren, namelijk de effectenrekening..” Elke effectenrekening wordt als een apart belastbaar voorwerp beschouwd.

Daar schuilt een mogelijk probleem rond discriminatie van vrijstelling van gelijkaardige producten met effecten op naam die op een andere wijze worden aangehouden.

Immers bestaan er meerdere wijzen om financiële instrumenten te beheren en te centraliseren, zodat al deze vormen dan het voorwerp zouden moeten uitmaken van eenzelfde belasting.

In het arrest van het Grondwettelijk Hof (17 oktober 2019, n.a.v. een ‘eerste versie’, arrest nummer 138/2019, nr. B.31) wordt gewezen op een verschil in behandeling naargelang de financiële instrumenten al dan niet op een effectenrekening zijn ingeschreven. Dit wordt als niet redelijk verantwoord aanzien door het Grondwettelijk Hof.

Deze visie van het Grondwettelijk Hof lag in de lijn van de commentaar van de Raad van State naar aanleiding van het ‘oude’ voorontwerp[3]:

« De vraag rijst of voor het verschil in behandeling tussen gedematerialiseerde effecten en effecten op naam een deugdelijke verantwoording voorhanden is : als het erom gaat de gegoede burger te belasten, lijkt een uitsluiting zonder meer van de effecten op naam alles behalve evident. Er kan immers moeilijk worden aangenomen dat wie een aandelenportefeuille op naam aanhoudt waarvan de waarde hoger is dan de vrijstellingsgrens, niet evenzeer als een gegoede burger kan worden beschouwd en de belasting van een dergelijke portefeuille daarom niet evenzeer deel zou moeten uitmaken van een rechtvaardiger fiscaal beleid »

Door de kunstmatige scheiding tussen één vorm (effectenrekening) en het normdoel van de inhoud (financiële instrumenten beheren en centraliseren) is er een hoog risico op discriminatie wanneer vergelijkbare vormen van beheer worden vrijgesteld.

Bij de ‘vorige versie’ heeft de Ministerraad nog geargumenteerd “dat er geen vermogensbelasting voorligt, dat het belastbaar feit van de taks erin bestaat in het houden van de effectenrekening, zodat de belastbare materie logischerwijze beperkt is tot de financiële instrumenten die ingeschreven zijn op zulk een rekening.

Gezien de grote gelijklopendheid lijkt dit ondanks het veel ruimer toepassingsgebied naar rechtspersonen; ander drempelbedrag; meer financiële producten geviseerd.. toch vooral retoriek te zijn. Men schermt nu met beleidsvrijheid, doch deze kan geen alibi zijn om fundamentele principes zoals gelijkheid voor de fiscale wet uit te hollen.

Op dit punt vinden wij dat er geen betere verantwoording komt in het voorstel.  Het lijkt een kwestie van semantiek die niks kan afdoen van de vraag waarom enkel een effectenrekenig belastbaar is vanuit het normdoel.

Er stelt zich ten andere een vergelijkbaar probleem inzake verzekeringsproducten die economisch vergelijkbaar zijn met effectenportefeuilles die worden aangeboden door financiële instellingen en makelaars in beleggingsproducten.

Veel besproken is de TAK23-uitzondering (verzekeringsovereenkomst).  Professor Philippe (Université de Liège) merkt op[4] dat de effecten van een tak23-product niet op de effectenrekening van de particuliere belegger staan maar op de rekening van de verzekeraar en aangezien de verzekeraars vaak middelen van meerdere klanten bundelen, zal hun rekening een waarde hebben van meer dan een miljoen euro en belastbaar zijn. Hij merkt ook op dat effectenportefeuilles aangehouden door verzekeraars in het raam van tak21-producten (spaarverzekeringen) ook geviseerd kunnen worden.

Voor de ‘fonds dédiés’ moet een inschatting per compartiment worden gemaakt.

Wat de tak-21 producten betreft, hebben wij daaromtrent voorbehoud waar op het einde van het aritkel wordt op teruggekomen. Gemengde tak44-producten zouden wel een aandachtpunt moeten zijn.

2de pijnpunt : De uitdrukkelijke vrijstellingen hebben geen redelijke verantwoording.

Principieel worden “alle financiële instrumenten op de effectenrekening” belastbaar. Er zijn een aantal evidente uitzonderingen zoals voor financiële instellingen of beursvennootschappen voor eigen professionele aanwending en eigen rekening.

Het gaat met name om :

  • de in artikel 198/1, § 6, 1° tot en met 12° WIB 1992 bedoelde financiële instellingen,
  • de vennootschappen opgenomen op de door de Nationale Bank van België in toepassing van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, gehouden lijst van beursvennootschappen en de in België geregistreerde bijkantoren van beursvennootschappen en/of verbonden agenten,
  • In artikel 2, §1, 13°/1, eerste lid, a tot c, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde instellingen, met uitsluiting van de in artikel 2, §1, 13°/1, tweede en derde lid, bedoelde instellingen of compartimenten van hetzelfde wetboek.

Deze betreffen in regel ondernemingen die op hun rekeningen gelden en waarden beheren die nominatief toekomen aan hun rechtshebbenden, de titularissen of de verzekeringsnemer.  Daar het geen ‘eigen vermogen’ betreft van deze instellingen maar werkingsmiddelen is het redelijk verantwoord om deze instellingen zelf van een aangifteplicht uit te sluiten.

Anderzijds, kan men zich wel de vraag stellen naar de redelijke verantwoording om het eigen vermogen dat zij aanhouden vrij te stellen wanneer andere rechtspersonen moeten bijdragen op hun kapitaal. 

Het wetsontwerp voorziet enkel met de betrekking tot de derde categorie een vorm van doorkijkformule waarbij de effectenrekeningen van die instellingen toch belastbaar worden gesteld omwille van hun privaat karakter :

“Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de in dit lid beoogde instellingen, entiteiten en vennootschappen waarvan de rechten door één persoon, of meerdere met elkaar verbonden personen, worden aangehouden, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd.

Bij toepassing van het tweede lid worden personen geacht verbonden te zijn met andere personen indien:

– één of meerdere natuurlijke of rechtspersonen over een andere rechtspersoon controle uitoefenen als bedoeld in artikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, of;

– deze personen bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad zijn, of;

– deze personen met elkaar gehuwd zijn, wettelijk samenwonen, of hun woonplaats of de zetel van hun fortuin op hetzelfde adres hebben gevestigd;”

Blijkbaar zou daar een redelijke verantwoording kunnen liggen van het vrijstellen van het eigen vermogen van die ondernemingen; immers zal hun kapitaal toebehoren aan een menigte van eigenaars waarvan enkel de Belgische eigenaars zouden moeten bijdragen.

Mogelijks speelt hier ook een vrees tot delocalisatie van de maatschappelijke zetel van dergelijke grote ondernemingen ?

Is er een redelijke verantwoording om de rekeningen van gemeenten en provincies ook te belasten ?  Deze moeten immers zelf instaan voor de pensioenen van hun statutair personeel.  Er valt niet in te zien waarom zij als publieke rechtspersonen ook niet onder de vrijstelling zouden vallen.  Men kan ook bezwaarlijk deze rechtspersonen naar publiek recht er van verdenken te zijn geïnstrumentaliseerd door enkelingen.

Het voorstel is uitgebreid naar rechtspersonen. VZW’s betalen nu al een belasting op hun rekening die 25.000 EUR overschrijdt waarvan het tarief hoger ligt dan in het wetsontwerp.  Waarom worden zij een tweede maal op dat kapitaal belast en niet uitgesloten van toepassing bij bewijs van die onderwerping aan de ‘met de successierechten gelijkgestelde taks’ ?

Opnieuw dient vastgesteld dat de omschrijving van het normdoel te eng wordt omschreven om deze categorieën vrij te stellen voor wat hun eigen vermogen betreft.

Ofwel past men het normdoel aan, ofwel past men het belastbaar voorwerp aan en de vrijstelling aan als men het risico op vernietiging wenst te vermijden.

3de pijnpunt : De ene effecten(rekeningen) zijn de andere niet maar worden gelijk belast in hoofde van de eigenaar.

Kapitaliserende effecten en inkomstenuitkerende effecten.

Bepaalde financiële instrumenten geven geen belastbare inkomsten ; de opgestapelde winsten verhogen de waarde bij latere verkoop.  Andere financiële instrumenten keren wél systematisch belastbare inkomsten uit.  Hun kapitaal is geen aangroei van vermogen anders dan door speculatieve koerschommelingen op de beurs.

Er kan dus een dubbele belasting zijn op betaalde producten omdat er altijd naar de onderliggende samenstelling wordt gekeken om de waarde te bepalen. Wanneer daar al belastingen (bvb. roerende voorheffing) worden op geheven, is het twijfelachtig of daar nu een extra laag bovenop kan komen.

Aantal titularissen of houders van rechten

Men kan nog begrijpen dat de aard van het recht niet speelt, maar wanneer men een heel klein aandeel heeft van een collectieve effectenrekening (bvb. waarde 100 EUR), weegt de taks ook. Dit is een onderscheid met andere beleggingen dat misschien niet houdbaar is.  Een individuele titularis kan niet altijd een bepalende invloed op beleidsbeslissingen inzake beheer effectenrekening (oa waarde op die rekening) zodat een onvoorspelbaarheid voor de individuele burger voorhanden is.

Fiscale rechtvaardigheid? Impliceert succes van de effectentaks een vermogenskadaster?

Er zit natuurlijk een stuk bijdrage van sterkste schouders in, maar er is een groot verschil van behandeling tussen een koppel dat 1,8 miljoen EUR op één effectenrekening heeft en een koppel waar man 900.000 EUR heeft op effectenrekening en vrouw 900.000 EUR op effectenrekening. Koppel 1 betaalt dan 2.700 EUR, het tweede koppel niks. Vermogensrechtelijk kan het zo zijn dat beide koppels samen eigenaar zijn van de twee rekeningen. Dan toont aan dat de methodiek onvolkomen is.

Men kan zich vragen stellen dat enkel personen met een vermogen op een effectenrekening boven 1 miljoen EUR moeten  bijdragen en personen met andere beleggingen (goud, vastgoed, enz.) daaraan ontsnappen.  Dit lijkt niet redelijk, zelfs niet verantwoordbaar.

Daarom is een omvattende regeling interessanter, zowel vanuit standpunt fiscale rechtvaardigheid als vanuit standpunt coherentie en juridisch haalbaarheid. De Raad van State heeft daarover advies uitgebracht op 25 april 2019 naar aanleiding van een wetsvoorstel ter oprichting van een vermogensregister[5].  In het advies wordt gewezen op het niet noodzakelijk publiek karakter en de verenigbaarheid met grondrechten (privacy). In het advies wordt op een parallelle behandeling van inwoners en niet-inwoners aangedrongen. In het wetsvoorstel werd enkel met zakelijke rechten gewerkt, maar de Raad van State ziet geen goede reden om ook niet de persoonlijke rechten in het register te betrekken.

4de pijnpunt :  De verschillende aanslagvoet.

0,15% of beperkt tot 10% van het verschil tussen de belastbare grondslag en het drempelbedrag

Men heeft dit zo bepaald opdat effectenrekeningen na betaling van taks niet onder het drempelbedrag zouden duiken in bepaalde hypotheses.  Abstractie makende van de overheidsbelangen, blijft dit ten gronde een vreemd onderscheid en een grond voor juridische discussie over verschillende behandeling.

Vanuit het normdoel van meer fiscale rechtvaardigheid om sterkere schouders meer te laten bijdragen verdient het aan beveling om met progressieve tarieven te werken, waardoor hogere vermogens meer bijdragen.

Als de drempel van 1 miljoen wordt overschreden kan zo tot dat bedrag een aanslagvoet van de helft worden toegepast of 0,75 % (gelijkwaardig economisch effect met de vrijstelling van de eerste 500.000 EUR) en op wat het overstijgt een kwart meer worden belast (bv. 0,18 % (0,15 % x 1,25))

5de pijnpunt :  De belastbare basis en de referentietijdstippen.

Drempelbedrag overschreden: volledige taxatie

Wanneer de waarde van de effectenrekening 1.000.001 EUR is wordt dit bedrag getaxeerd, wanneer er 999.999 EUR waarde is, is er geen enkele taxatie. Een vrijstelling tot op een bepaalde hoogte (250.000 EUR bvb) ware interessanter.

De drempel werd gelegd op 1 miljoen EUR omdat vanaf dat niveau -zo menen de indieners- ontwijkingsgedrag niet meer aan de orde is. Eronder zouden alternatieven (vastgoedbeleggingen, aanhouden liquide middelen) meer aan de orde zijn.  We menen dat dit misschien wel iets over het gedrag zegt, maar dat dit geen juridisch argument is om die drempel daar te leggen vanuit het standpunt van fiscale discriminatie.

Het argument rond liquiditeit werd trouwens eerder door zowel de Raad van State als het Grondwettelijk Hof als niet dienstdoende bestempeld[6]

“Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt, is de wijze waarop een aandeel wordt aangehouden, meer bepaald al dan niet op een effectenrekening, niet pertinent ten aanzien van het nagestreefde doel dat erin bestaat te komen tot een meer rechtvaardig fiscaal beleid door middel van het doen bijdragen van de grotere vermogens aan het staatsbudget. De mate waarin een aandeel verhandelbaar is en liquide kan worden gemaakt is evenmin relevant ten aanzien van dat doel. Ofschoon het juist is dat aandelen op naam die zijn ingeschreven in een register van aandelen op naam op een minder eenvoudige wijze kunnen worden verhandeld en liquide kunnen worden gemaakt dan aandelen die zijn ingeschreven op een effectenrekening, kunnen zij eveneens worden verhandeld en liquide worden gemaakt en kunnen zij aldus eveneens worden aangewend als een instrument in het kader van het beheer van een vermogen.”

Men kan bijvoorbeeld een vrijstelling verlenen voor individuele deelgenoten die kleine aandelen hebben en enkel de grotere deelgenoten (minstens 250.000 EUR aandeel) aan de belastingvoet onderwerpen.

De referentietijdstippen

Wanneer een rekening wordt geopend, kan dit kort voor een referentietijdstip. Het zou kunnen zijn dat de rekening nog niet ‘gevuld’ is op het referentietijdstip en dat zo de gemiddelde waarde onder 1 miljoen EUR komt. Biedt de anti-misbruik bepaling daarvoor soelaas?

6de pijnpunt :  De internationale fiscale regels.

De werking van de dubbelbelastingverdragen.

De Regering gaat uit van het universaliteitsprincipe om zo buitenlandse effectenrekeningen te belasten. Uiteraard wordt dit de toepassing van dit principe sterk afgezwakt door de verschillende DBV’s.

Men mag niet vergeten dat de DBV’s meestal over directe belastingen handelen. De Regering spreekt over een indirecte taks (zie sectie daaraan gewijd). Dan kan leiden tot kwalificatieconflicten tussen Staten.

De referentieperiode stopt wanneer de enige titularis die inwoner is in België inwoner wordt van een Staat waar mee België een DBV heeft afgesloten en waarbij dat verdrag tot gevolg heeft dat de heffingsbevoegdheid over een bestanddeel van het vermogen toekomt aan de andere Staat.

Men kan zich vragen stellen in welke mate dan effectieve taxatie voor dat vermogensonderdeel zal zijn. Moet deze werkwijze niet gepaard gaan met een engagement rond ‘subject to tax’ clausule bij DBV’s (herziening huidige en onderhandelen toekomstige)?

De bewoording “heffingsbevoegdheid over een bestanddeel van het vermogen” lijkt problematisch. Zal een theoretische buitenlandse belasting leiden van een onderdeel van de effectenrekening tot een niet belasting van de effectenrekening?

Vraag is hoe men zal omgaan met een dubbele belasting bij bvb. een effectenrekening in Frankrijk aangehouden door een inwoner van België. België roept het universaliteitsprincipe in en Frankrijk het territorialiteitsprincipe. Een cassatie-arrest (16 juni 2017) naar aanleiding van belasting op dividenden oordeelde dat de ingehouden Franse roerende voorheffing moet verrekend worden met de 30% Belgische roerende voorheffing. In  de memorie van toelichting wordt deze problematiek niet aangesneden. Het zou goed zijn meteen daarover duidelijkheid te verschaffen.

Indien de effectentaks onder een categorie van een dubbelbelastingverdrag zou ressorteren en zou leiden naar belastbaarheid in de andere Staat (niet België), betekent dit  dat bij toepassing van diverse belastingverdragen een vrijstellingsmechanisme in gang wordt gezet, gezien dit onder artikel 23A-B van het OESO MC zou ressorteren (artikel 22 Belgisch Standaardmodel).

Echter, in het kader van artikel 21 (Belastingheffing van het vermogen) van het Belgisch Standaardmodel is de bepaling van §2 relevant:

§ 2. Vermogen bestaande uit roerende goederen die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een overeenkomstsluitende staat in de andere overeenkomstsluitende staat heeft, mag in die andere staat worden belast;

Alsook 

§ 4. Alle andere vermogensbestanddelen van een inwoner van een overeenkomstsluitende staat zijn slechts in die staat belastbaar.

Het wordt gecompliceerder indien men een verrekening zou moeten toelaten met elders betaalde roerende voorheffing.  Het lijkt erop dat er voor de Regering geen verrekening aan de orde is omdat de roerende voorheffing geënt is op de vermogensaangroei en de effectenrekening op het medium, maar deze kunstmatige scheiding  is wel een gevoelig discussiepunt.

Directe of indirecte taks?

De Regering betitelt de ‘nieuwe’ taks als een indirecte belasting. Vraag is of dit ook zo is, aangezien deze belasting periodieke opbrengsten genereert bvb  in het geval een statische belegging van 2mo EUR op een effectenrekening.  Men gaat er in de Memorie van Toelichting nogal gemakkelijk van uit dat de taks op effectenrekeningen een indirecte taks is. Echter “indirect taxes are imposed upon a transaction”[7], wij zien niet meteen in welke ‘transacties’ deze belasting viseert. Een en ander sluit beter aan bij de definitie van ‘Direct Tax’: “A direct tax is a tax an individual or organization pays directly to the imposing entity. A taxpayer, for example, pays direct taxes to the government for different purposes, including real property tax, personal property tax, income tax, or taxes on assets.”[8]

Directe belastingen zijn gebaseerd op het ability-to-pay principe, dit sluit aan bij de idee  van de sterkste schouders aan wie extra inspanning gevraagd wordt. In de memorie staat: “De taks wordt op die manier de zichtbare bijdrage van de personen die de grootste draagkracht hebben (…)”. Dit gaat helemaal in de richting van een directe belasting.

Wat indirect is, is dat de taks op indirecte wijze geheven wordt, namelijk door een tussenpersoon. Maar dat kan niet overtuigen als argument aangezien er bij ontstentenis van handelen door de (bvb. buitenlandse) tussenpersoon een handelen vereist is van de rechthebbende van de effectenrekening. Bovendien: als men kijkt naar ingehouden bedrijfsvoorheffing bij salarissen op niveau van directe belasting, beseft men meteen dat het aangeboden argument niet zaligmakend is voor de kwalificatie ‘indirect’. Ook het feit dat het een jaarlijkse abonnementstaks betreft, wijst eerder in de richting van een directe belasting.

Voor een directe belasting moet men altijd de titularis van die rekeningen of activa omschrijven. De band met de eigenaar zal er altijd moeten zijn. De voorstelling in de zin van ‘belasting van een medium’ lijkt dan hét argument te zijn voor een indirecte belasting.

Verenigbaarheid met Richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008?

In de tweede overweging bij die richtlijn wordt vermeld dat indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal leiden tot discriminaties en dubbele belastingheffing die het vrije kapitaalverkeer hinderen.  De indieners schermen  met het argument dat de Richtlijn focust op de taxatie van inbreng van kapitaal of uitgifte van effecten en dat het vrije kapitaalverkeer niet door de effectentaks gehinderd wordt. Lijkt me materie voor het Hof van Justitie.

Verenigbaarheid met artikel 56 VWEU?

De indieners maken zich sterk dat er geen onverenigbaarheid is met artikel 56 VWEU (vrij verkeer van diensten) wanneer Belgische tussenpersonen in tegenstelling tot andere de bevrijdende inhouding moeten organiseren.  Men schermt met HvJ 19 juni 2014, C53/13 en C-80/13, nr. 55(dwingende redenen algemeen belang) om het onderscheid te verantwoorden, alsook met de analogie met de taks op de beursverrichtingen waar het HvJ-EU noch het GwH zich niet tegen verzette[9].

7de pijnpunt :  Retro-actieve werking en beweerdelijke voorbeelden van misbruik.

De verantwoordelijkheid van de vertegenwoordiger

De niet in België gevestigde of opgerichte tussenpersonen kunnen een aansprakelijke vertegenwoordiger in België laten erkennen. Deze verbindt zich hoofdelijk tegenover de Belgische Staat tot de aangifte en de betaling van de taks (art. 10 voorontwerp, toekomstig artikel 201/9/1 WDRT). Uit de bewoordingen van het voorontwerp (“in geval van overlijden”) blijkt dat dit een natuurlijke persoon moet zijn, dit zou kunnen opengetrokken worden naar rechtspersonen. Gezien de ruime aansprakelijkheid is dit wenselijk (eventueel met consignatie waarborg).

Indiening aangifte

Voor titularissen die zelf moeten indienen is de deadline de dag van aangifte voor personenbelasting. Er kan verondersteld worden dat wie met boekhouder werkt dan extra tijd heeft. Dit staat niet expliciet in de teksten.

Retroactiviteit anti-misbruik bepaling

Daar het publiek redelijkerwijze kon kennis nemen van de toekomstige wijzigingen wordt  anticiperen daarop als een misbruik aanzien. Het lijkt me problematisch om daarvoor naar “de media” ter verwijzen, daar deze allerminst een geschikt kanaal zijn voor officiële mededelingen. Voor de voorzienbaarheid van de retroactieve bepaling werd een bericht in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 4 november 2020.  Vraag is wat de juridische waarde is van zo’n mededeling (aankondigingsbericht, geen wet, KB of MB).

In de memorie worden andere situaties van ‘misbruik’ opgesomd :

  1. Splitsen effectenrekeningen: zie sectie Fiscale rechtvaardigheid? (infra) + schenken of uit onverdeeldheid treden kan de anti-misbruikbepaling omzeilen. Een in te roepen motief kan bijvoorbeeld zijn dat er geen collectieve visie meer is qua beheer. 
  2. Spreiden effecten bij zelfde tussenpersoon -> kan gemakkelijk gecounterd worden met tegenbewijs: beleidsvrijheid, in functie van aantal kinderen, schenking voorbereiden, enz.
  3. Omzetten van aandelen op naam: zo kan een niet-onderwerping aan de taks voor één referentieperiode beteugeld worden. Het is maar al te zeer de vraag of de boete zou kunnen afgemeten worden aan verschillende referentieperiodes; dit is problematisch om toekomstige belastingjaren in de beteugeling te betrekken.
  4. Buitenlandse rechtspersoon en naar buitenlandse effectenrekening: zo kan een niet onderbouwd (economisch) verhaal doorprikt worden.
  5. Onderbrengen van de effectenrekening in een fonds met deelbewijzen op naam: moet dan wel duidelijk te onderscheiden zijn van de Tak23-uitzondering.

Het weze opgemerkt dat voorbeelden d) en e) nu al meldingsplichtig zijn onder DAC-6.

Algemene beoordeling :

Het is aanbevolen om :

  • Voor redenen van discriminatie die sanctioneerbaar zijn door het Grondwettelijk Hof :

a) Het normdoel van het belastbaar voorwerp anders te omschrijven, als zijnde niet enkel het beheer en het centraliseren van financiële instrumten maar als “het aanhouden van vermogen bestemd voor private doeleinden in de vorm van financiële instrumenten of instrumenten met een vergelijkbaar economisch effect, teneinde hetzij vermogensaangroei, hetzij meer roerend inkomen te verwerven dan gebruikelijk wordt bekomen door middel van spaarrekeningen”.

Dat vervolgens de accute budgetaire noden vereisen om vermogen meer te doen bijdragen naar verhouding van de financiële draagkracht (progressie zoals voorgesteld) zonder daarbij inkomsten die worden onderworpen aan de roerende voorheffing een tweede maal te willen belasten in dat belastbaar tijdperk.

De belastingvoet & belastbare basis worden best omschreven vanuit de snellere vermogensaangroei via dergelijke financiële instrumenten dan via spaarrekeningen, wat de gevraagde bijdrage verantwoordt, als ook de uitsluiting van vermogen in de vorm van spaarrekeningen.  Een macro-economische studie zou het gemiddeld jaarlijkse aangroei van financiële instrumten tegenover spaarrekeningen plaatsen en daarop dan een % toepassen dat naar het verleden toe de aangroei uitdrukt en naar de toekomst de verwachte ‘meer’ aangroei.

Er moet zo in worden voorzien dat ‘aangroei’ met inkomsten in het belastbaar tijdpert die de roerende voorheffing hebben ondergaan niet worden bijgeteld als kapitaal in het refertetijdperk.  Gebruikt de eigenaar deze gelden niet , dan geldt het als vermogen vanaf het op zijn beurt dient tot aangroei dan wel nieuwe belastbare inkomsten die worden uitgekeerd op basis van het aangegroeide kapitaal.

b) Uit dergelijk normdoel volgt de onderwerping van verzekeringsproducten als instrumenten van vermogensaangroei, andere dan voor doeleinden van pensioenopbouw en verzekeringsproducten met lagere rendementen zoals tak-21 producten die daardoor vergelijkbaar zijn met spaarrekeningen qua vermogensaangroei.  Dat eigen vemogen van ondernemingen op effectenrekeningen steeds kan worden belast, VZW’s moeten worden vrijgesteld wegens dubbele belasting etc.., tarieven aangepast.

  • Voor reden van Unierecht en dubbelbelastingen : de belasting als een directe belasting te omschrijven op vermogen of alternatief omschrijven als :
Enten op het TRACE-initiatief?

Men zou voor de heffing ook de methodiek van het OESO-TRACE (Treaty Relief and Compliance Enhancement)-initiatief kunnen toepassen, dit is ontworpen voor bronheffingen maar kan ook voor een taks op effectenrekeningen nuttig zijn[10].  Het zou goed zijn mocht België daarin het voortouw nemen om veel innningcomplexiteit en de daarmee gepaard gaande noodzaak van controlecapacteit te rationaliseren.


[1] Let wel, de referentieperiode wordt vroegtijdig beëindigd als de effectenrekening wordt afgesloten, zodat de termijnen voor aangifte en betaling tijdig beginnen lopen. Dit is ook het geval wanneer titularis die inwoner is van België naar een land verhuist waarmee een DBV is afgesloten die de heffingsbevoegdheid rond vermogensbelastingen heeft geregeld (bvb. Nederland).

[2]D-E Philippe, De Tijd 13 november 2020

[3] Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2746/001, p. 191: advies nr. 62.219/1-3-4 van 11 oktober 2017.

[4] De Tijd 13 november 2020, “De kleine lettertjes van de nieuwe effectentaks”.

[5]Parl.St.Kamer 2018-19, nr. 54-3451/001

[6] GwH 17 oktober 2019, nr. 138/2019, B.30.1

[7] https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/docs/body/taxation_internal_market_en.pdf, p. 5

[8] Definitie van Investopedia, “What is a direct tax” (item updated on 23/10/2020).

[9] HvJ 30 januari 2020, C-725/18; GwH 4 juni 2020, nr. 79/2020

[10] Zie HELLINCKX, K., MERTENS, S., TRACE [Treaty Relief And Compliance Enhancement]: een mogelijke revolutie inzake bronheffing?, AFT 2020, afl. 10, 6-30.

2020-12-09T08:24:02+00:00 9 december 2020|Categories: Directe belastingen|Tags: , |