>>>Voordeel van alle aard. Bal terug in het kamp van de hoven en rechtbanken (Tiberghien)

Voordeel van alle aard. Bal terug in het kamp van de hoven en rechtbanken (Tiberghien)

Auteurs: Ben Van VlierdenVincent Vercauteren en Ellen Vandingenen (Tiberghien)

Publicatiedatum: 30/11/2020

De interpretatie dat de ongrondwettigheid van een reglementaire fiscale bepaling geen “nieuw feit” is voor de ontheffing van ambtswege, schendt het gelijkheidbeginsel niet, dixit Grondwettelijk Hof.

Voorafgaand

1. In onze voorgaande nieuwsbrief van 28 februari 2019 werd verwezen naar een vonnis dd. 31 januari 2019 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (A.R. 17/3178/A) dat oordeelde dat het arrest van 24 mei 2016 van het hof van beroep te Gent (wat betreft het aspect van de ongrondwettigheid) beschouwd kon worden als een “nieuw feit” dat niet binnen de normale bezwaartermijn kon worden ingeroepen voor de fiscale administratie.

2. Voormeld vonnis kadert in de rechtspraak die de laatste jaren quasi éénduidig oordeelde dat de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor het kosteloos ter beschikking stellen, door een rechtspersoon, van een onroerend goed (woning) discriminerend was, waardoor het verhoogde forfait met factor 1,25 of 3,8 (afhankelijk van het niet-geïndexeerd KI dat kleiner is dan resp. groter is dan 745 EUR) niet meer mocht worden toegepast.

3. Op 15 mei 2018 publiceerde de FOD Financiën haar Circulaire 2018/C/57 waarbij het voordeel van alle aard moest berekend worden overeenkomstig artikel 18, §3, punt 2, eerste lid KB/WIB92 (en dus zonder de factor 1,25 of 3,8), ongeacht door wie het voordeel van alle aard werd toegekend.

De Circulaire bevestigde daarbij dat de fiscale administratie akkoord kon gaan met de bezwaarschriften en de rechtsprocedures waarbij de berekening conform de rechtspraak werd toegepast.

Wat betreft de verzoeken tot ambtshalve ontheffing cf. artikel 376, §1 WIB92 stelde de Circulaire echter dat deze vragen moesten afgewezen worden “om reden dat niet voldaan is aan de voorwaarden voorzien in artikel 376, §1 en §2, WIB 92. Art. 376, §2, WIB 92 bepaalt immers dat een wijziging in de jurisprudentie niet als nieuw gegeven wordt beschouwd [met verwijzing naar een vonnis van 7 februari 2018 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 17/2259/A]”.

4. Om die verschillende behandeling weg te werken, werd uiteindelijk artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB92 aangepast via het koninklijk besluit van 7 december 2018 tot wijziging van het KB/WIB92 op het stuk van de voordelen van alle aard voor de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen (BS 27 december 2018), en van toepassing op de vanaf 1 januari 2019 betaalde of toegekende voordelen. Dit KB verving het eerste en het tweede lid van artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB92 als volgt:

Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/90 van het kadastrale inkomen van ongebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan.  
Voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan wordt het voordeel forfaitair vastgesteld op 100/60 van het kadastrale inkomen, vermenigvuldigd met 2.”

5. De mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot ambtshalve ontheffing bleef ondertussen nog steeds een twistpunt. Artikel 376, §2 WIB92 bepaalt uitdrukkelijk dat een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie niet wordt beschouwd als een “nieuw feit”.

Toch legden veel belastingplichtigen zich niet neer bij het standpunt van de fiscale administratie in haar Circulaire van 15 mei 2018, en zij dienden alsnog een verzoek tot ambtshalve ontheffing in, o.a. op basis van de uitspraken van de hoven van beroep te Gent op 24 mei 2016 en 20 februari 2018 en te Antwerpen op 24 januari 2017 die beiden hebben geoordeeld over de rechtsgeldigheid van een KB. Immers, de toets van een KB aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel is geen bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof doch wordt overgelaten aan de rechtbanken en hoven zelf, dit op basis van artikel 159 G.W. (cf. de kwalificatie van een arrest van het Grondwettelijk Hof als een “nieuw feit”).

6. Voor een verzoek tot ambtshalve ontheffing moet de belastingplichtige de overbelasting op basis van een “nieuw feit” kenbaar maken aan de administratie binnen 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting gevestigd werd. Voor de toepassing van een verzoek tot ambtshalve ontheffing mag de aanslag wel niet reeds het woorwerp zijn geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond van de zaak (cf. artikel 376, §1, 2° WIB92).

7. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, oordeelde in zijn vonnis dd. 31 januari 2019 (A.R. 17/3178/A) dat men wel degelijk rekening dient te houden met een nieuw feit wanneer wettelijke (in de zin van “reglementaire”) bepalingen ongrondwettig worden verklaard. Dit nieuwe feit valt volgens de rechtbank niet onder de noemer “een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van de jurisprudentie” en kan niet gelijkgesteld worden met een wijziging in de (gewone) rechtspraak. Des te meer omdat een wettelijke (“reglementaire”) bepaling die ongrondwettig wordt verklaard niet kan toegepast worden en aldus moet worden geremedieerd.

Die beslissing leek dan ook een bevestiging te zijn van een reeds lang bestaand antwoord dd. 12 december 2002 van de Minister van Financiën op een Parlementaire Vraag nr. 807 vanwege de heer Eerdekens: “De administratieve of rechterlijke jurisprudentie waarnaar artikel 376 verwijst, bestaat uit de interpretatie en de toepassing, door de administratieve of gerechtelijke instanties, van de wettelijke bepalingen waarvan de geldigheid niet wordt betwist; […]” (Parl.Vr. nr. 807 vanwege de heer Eerdekens dd. 17 oktober 2001, QRVA 50, 50-2002/2003, 149). A contrario kon een wijziging van de rechtspraak dus wel kwalificeren als een “nieuw feit” indien uitspraak wordt gedaan over de grondwettigheid van een regelgevende norm.

Grondwettelijk Hof dd. 26 november 2020

8. Dat voormelde rechtspraak uniek was in zijn soort en één zwaluw de lente nog niet maakt – zoals verwoord in voorgaande nieuwsbrief – lijkt nu werkelijkheid te zijn geworden door de uitspraak van het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 26 november 2020.

9. Zowel de hoven van beroep te Antwerpen en Gent als de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel (Nederlandstalig) en Leuven hebben in 6 gelijkaardige zaken een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof, nl. om te vernemen of artikel 376 WIB92 de artikelen 10, 11 en 172 G.W. schendt, in de interpretatie dat een arrest van het Grondwettelijk Hof, gewezen op een prejudiciële vraag waarbij de ongrondwettigheid van een wettelijke fiscale norm wordt vastgesteld, wel als een nieuw feit wordt beschouwd dat aanleiding kan geven tot een ambtshalve ontheffing van overbelastingen, terwijl dit niet het geval zou zijn voor uitspraken van rechtbanken van eerste aanleg/hoven van beroep waarbij uitvoerende belastingnormen ongrondwettig worden verklaard op basis van artikel 159 G.W.

10. Het Grondwettelijk Hof brengt vooreerst in herinnering dat het, in antwoord op een prejudiciële vraag betreffende artikel 376, §2 WIB92, in zijn arrest van 8 november 2006 (nr. 160/2006, toen het Grondwettelijk Hof nog “Arbitragehof” heette) heeft geoordeeld dat een arrest dat op een prejudiciële vraag uitspraak doet noch een “nieuw rechtsmiddel”, noch een “wijziging van de jurisprudentie” is en dat het kan worden beschouwd als een “nieuw gegeven” in de zin van artikel 376 WIB92.

11. Vervolgens wijst het Grondwettelijk Hof er op dat het uitsluitend aan het Grondwettelijk Hof toekomt om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de grondwettigheid van een wettelijke fiscale norm (cf. artikel 142 G.W. juncto artikel 26, §1 Bijz.Wet GwH). Geen enkele andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof evenwel de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of een akte van de uitvoerende macht in overeenstemming is met de Grondwet.

Op basis van artikel 159 G.W. komt het daarentegen toe aan de gewone rechtbanken en hoven om de bepalingen van een besluit of een verordening die niet in overeenstemming zouden zijn met de Grondwet, niet toe te passen.

Wanneer artikel 376 WIB92 zo zou moeten worden geïnterpreteerd dat een beslissing van de hoven en de rechtbanken, buiten het geschil waarin de ongrondwettigheid werd vastgesteld, door de fiscale administratie als een nieuw gegeven moet worden beschouwd dat kan leiden tot een ambtshalve ontheffing van overbelastingen, dan zou aan de rechterlijke beslissing een gezag worden toegekend dat niet in overeenstemming is met artikel 159 G.W.

12. Bijgevolg is het verschil in behandeling dat aan het Grondwettelijk Hof ter toetsing wordt voorgelegd, een gevolg van een door de Grondwetgever gemaakte keuze, waarover het Hof zich niet vermag uit te spreken. Die vaststelling wordt niet gewijzigd door het feit dat de fiscale administratie in een Circulaire zou beslissen om voor de toekomst de door de hoven en rechtbanken vastgestelde discriminatie ongedaan te maken of dat het bestuur de regelgeving voor de toekomst aanpast.

13. Het Grondwettelijk Hof besluit dan ook in zijn arrest van 26 november ll. dat artikel 376 WIB92 derhalve niet onbestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in de interpretatie dat de beslissingen van de hoven en rechtbanken waarbij de ongrondwettigheid van een reglementaire fiscale bepaling wordt vastgesteld, geen nieuw gegeven zijn dat in aanmerking komt voor de ambtshalve ontheffing.

14. Het verschil in behandeling wordt aldus wel uitdrukkelijk erkend door het Grondwettelijk Hof, doch dit verschil in behandeling lijkt gewoonweg een keuze te zijn geweest van de Grondwetgever, waarover het Grondwettelijk Hof niet vermag te oordelen.

Noteer dat een rechtscollege dat een prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, zich voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vraag werd gesteld, moet voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof (cf. artikel 28 Bijz.Wet GwH). Evenzeer, wanneer voor een rechtscollege een vraag wordt opgeworpen omtrent de grondwettigheid van een wettelijke norm, dient dat rechtscollege geen prejudiciële vraag te stellen indien het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag met een identiek onderwerp, op voorwaarde dat het rechtscollege zich voegt naar het arrest van het Grondwettelijk Hof (en die norm dus buiten toepassing moet laten), tenzij hij meent het arrest niet te kunnen volgen waardoor een nieuwe prejudiciële vraag kan worden gesteld (cf. artikel 26, §2, 2° Bijz.Wet GwH).

15. Kortom, artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat de beslissingen van de hoven en rechtbanken waarbij de ongrondwettigheid van een reglementaire fiscale bepaling wordt vastgesteld, geen nieuw gegeven zijn dat in aanmerking komt voor de ambtshalve ontheffing van overbelastingen. Het blijft nu aan de rechtbanken en de hoven om uit te maken of de vastgestelde ongrondwettigheid desalniettemin een nieuw feit uitmaakt.

Bron: Grondwettelijk Hof 26 november 2020, nr. 160/2020.

Lees hier het originele artikel

2020-12-03T14:17:11+00:00 6 december 2020|Categories: Directe belastingen|Tags: , , |