>, Straf- en strafprocesrecht>Strafrechtelijke bewijsgaring strijdig met recht op eerlijk proces verhindert niet fiscale naheffing (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Strafrechtelijke bewijsgaring strijdig met recht op eerlijk proces verhindert niet fiscale naheffing (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Auteur: Patrick Waeterinckx en Ruben Van Herpe (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Publicatiedatum: 26/06/2020

Bespreking van Cass. 11 juni 2020, F.19.0022.N

De fiscale kamer van het Hof van Cassatie moest zich onlangs buigen over de zoveelste uitloper van de ‘KB Lux zaak’ (Kredietbank Luxembourgeoise).

Concreet hadden drie ontslagen (ex-)werknemers van de bank midden de jaren ‘90 heimelijk kopieën genomen van interne bankgegevens om bij het bepalen van hun ontslagvoorwaarden de spreekwoordelijke ‘stok achter de deur te hebben’. Deze gegevens kwamen echter ook in de handen van het gerecht dat een strafonderzoek startte tegen de (ex-)bestuurders en enkele klanten. Doordat er veel vragen rezen over de manier waarop het gerecht over deze informatie kon beschikken, besliste de strafrechter in Brussel in 2010 tot de onontvankelijkheid van de strafvordering als gevolg van een deloyaal gevoerd onderzoek en ernstige herhaaldelijke schendingen van het recht van verdediging. Deze uitspraak werd in 2011 door het Hof van Cassatie bevestigd.

De fiscale administratie nam tijdens dat strafonderzoek echter inzage van het strafdossier om na te gaan of er nog belastingschulden konden worden gevestigd en ingevorderd ten aanzien van andere belastingplichtigen. Op basis van de resultaten van die inzage stelde de fiscus aanwijzingen van fiscale fraude vast t.a.v. diverse belastingplichtigen en werden er nieuwe strafzaken op gang gebracht die allemaal als gemene deler de ‘KB Lux zaak’ hadden.

Dit was ook het geval in de zaak die aanleiding gaf tot het hier besproken cassatiearrest. De fiscus had strafklacht neergelegd tegen de betrokken belastingplichtige ‘LG’ en deelde hem in 2005 mee dat de fiscale onderzoeks- en aanslagtermijnen werden uitgebreid op basis van vermoedens van fiscale fraude (niet aangifte van buitenlandse roerende inkomsten). Dit laatste was het gevolg van de vaststelling dat ‘LG’ in het totaal 44.808.968 BEF (of 1.110.785,30 EUR) had geïnd in het buitenland uit beleggingen zonder inhouding van roerende voorheffing. Aansluitend op die vaststellingen kreeg belastingplichtige ‘LG’ in 2005 een bericht van wijziging van zijn aangifte en moest alsnog de verschuldigde belasting én een belastingverhoging betalen.

In de strafzaak was echter in een definitief vonnis van 25 oktober 2011 vastgesteld dat de strafvordering niet ontvankelijk was omdat “de bewijsgaring in het gerechtelijk onderzoek op klacht van de fiscale administratie lastens appellant strijdig is met het recht op een eerlijk proces.” (cf. bestreden arrest Gent 12 juni 2018).

Na dergelijk oordeel van de strafrechter was de belastingplichtige ‘LG’ van mening dat de fiscale administratie uit dergelijk strafdossier geen bewijs kon puren van een nog verschuldigde belasting. Hij tekende dan ook bezwaar aan tegen de bijkomende aanslag. Na afwijzing van dit bezwaar wendde hij zich met een verzoekschrift tot de rechtbank van eerste aanleg.

Alle tussengekomen rechterlijke uitspraken (rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 13 september 2016, hof van beroep te Gent van 12 juni 2018, Hof van Cassatie van 11 juni 2020) stelden ‘LG’ in het ongelijk. Het is volgens deze – niet geheel onverwachte – rechtspraak perfect mogelijk om bijkomende belastingen te vestigen en in te vorderen als gevolg van de kennisname van gegevens uit een strafdossier; ook als de strafrechter het strafdossier ‘naar de prullenmand’ heeft verwezen omwille van diverse rechtsschendingen.

De rechters oordeelden dat het vooral van belang is dat de fiscus zelf op rechtmatige wijze kennis nam van deze gegevens door een regelmatige inzage van het (weliswaar besmette) strafdossier en bijgevolg zelf geen deel had in de onrechtmatige bewijsgaring. De beroepsrechter in Gent oordeelde, volgens het Hof van Cassatie terecht dat de fiscale rechter op basis van een autonome (fiscale) belangenafweging kon beslissen dat in dit geval alsnog belastingen konden worden geheven en ingevorderd. De fiscale rechter oordeelt m.a.w. op basis van deze belangenafweging steeds autonoom over de bruikbaarheid van het overgelegde bewijsmateriaal zonder dat hij gebonden is door hetgeen de strafrechter daarover eerder besliste. Hierbij is het nog nuttig om op te merken dat de fiscale kamer van het Hof van Cassatie op 6 maart 2015 (overigens eveneens in een uitloper van de KB-LUX zaak) al oordeelde dat de enkele omstandigheid dat onrechtmatig verkregen bewijzen aanleiding waren tot het uitvoeren van een nieuwe onderzoeksmaatregel (bankonderzoek) niet tot gevolg hadden dat de resultaten van die nieuwe onderzoeksmaatregel niet in aanmerking mochten worden genomen.

Een zeer belangrijk punt in deze aangelegenheid is dat uit de geconsulteerde uitspraken bleek dat ‘LG’ de fiscale administratie niet verweet om zelf een ‘procedureregel’ te hebben overtreden. Overigens mocht ‘LG’ wel die piste hebben bewandeld, dan zou dit wellicht evenmin automatisch tot gevolg hebben gehad dat er geen belastingschuld meer zou kunnen worden gevestigd en ingevorderd. Immers paste het Hof van Cassatie in 2015 al de aan het strafrecht ontleende ‘Antigoon-doctrine’ toe op de grief i.v.m. onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld (Cass. 22 mei 2015, F.13.0077.N).

Op basis van die Antigoon-rechtspraak is het niet langer (maatschappelijk) aanvaardbaar om bewijzen enkel en alleen te weren wegens het niet naleven van procedureregels tenzij de wetgever dit uitdrukkelijk bepaalt en/of de betrouwbaarheid van het bewijs is aangetast. In de verticale rechtsverhouding tussen de overheid (bv. openbaar ministerie of (fiscale/sociale) administratie) en de burger (bv. verdachte, beklaagde, sociaal verzekerde of belastingplichtige) dient in alle andere gevallen een belangenafweging plaats te vinden tussen het belang van de overheid en het recht op een eerlijk proces van de burger.

Omdat de fiscale wetgeving geen algemene bepaling bevat die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld vulde de fiscale kamer van het Hof van Cassatie in 2015 deze belangenafweging als volgt in: Het gebruik van onrechtmatig bewijs door de fiscale administratie dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

Hieruit besluit het Hof verder dat er slechts drie redenen zouden zijn om het onrechtmatig bewijs te weren. Ten eerste als de wetgever zelf voorziet in een bijzondere sanctie. Een tweede reden is als de bewijsverkrijging danig indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dit gebruik dan onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht. Een derde reden tot wering is als het gebruik van het onrechtmatig verkregen bewijs het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

Het cassatie-arrest van 11 juni 2020 bevestigt die rechtspraak, ook wanneer de fiscale administratie gegevens aanwendt uit een besmet strafonderzoek om de fiscale naheffing op te baseren.