>>>Rulingcommissie geeft fiat over globaal vastgestelde waardeverminderingen (VGD)

Rulingcommissie geeft fiat over globaal vastgestelde waardeverminderingen (VGD)

Auteur: Maxime Vandemaele (VGD)

Publicatiedatum: 03/05/2021

Als ondernemer ben je tijdens het bestaan van je onderneming wellicht al eens geconfronteerd met klanten die niet of laattijdig betalen. De fiscale wetgever voorziet specifiek voor deze categorie vorderingen in een mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden, reeds rekening te houden met de waarschijnlijk te verwachten verliezen bij de bepaling van het belastbaar resultaat. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, kan de belastbare winst namelijk worden vrijgesteld ten belope van het waarschijnlijk te verwachten verlies.

Eén van de voorwaarden is dat voor elke vordering afzonderlijk beoordeeld moet worden of er sprake is van een waarschijnlijk te verwachten verlies en eveneens voor welk bedrag. Deze analyse zou dan ook jaarlijks opnieuw moeten gebeuren, aangezien het te verwachten karakter doorheen de tijd kan wijzigen. De Administratie legt dan ook een geïndividualiseerde benadering op. Mede hierdoor sprak het Hof van Cassatie zich in het verleden al uit dat geen vrijstelling verleend kan worden voor een globale, niet-geïndividualiseerde waardevermindering die gesteund is op statistische gegevens uit het verleden. Het individuele karakter komt daarnaast ook nog terug in de aangifteplicht van de belastingplichtige, deze moet namelijk elke vordering afzonderlijk met vermelding van identiteit, bedrag, etc. opnemen in de opgave 204.3.

In de praktijk wordt vanuit praktische overwegingen soms de piste gekozen om toch te werken op basis van inzichten uit het verleden. Net over deze manier van aanpakken sprak de rulingcommissie zich recentelijk uit. In de voorafgaande beslissing 2020.2241 van 26 januari 2021 gaf de rulingcommissie namelijk haar fiat over de jaarlijkse toepassing van globale waarschijnlijke waardeverminderingen op basis van verzamelde statistische gegevens die variëren per categorie vordering.

Concrete case

Concreet ging de aanvrager jaarlijks de onbetaalde facturen gaan inventariseren en vervolgens gaan categoriseren in functie van het aantal dagen dat nog niet werd betaald, te rekenen vanaf de vervaldag. Daarbij kon deze op basis van ervaring in het verleden voorspellen hoeveel procent per categorie er oninbaar is. Ondanks de forfaitaire methodiek ging de aanvrager uiteraard wel de dubieuze debiteuren individueel opvolgen, teneinde zo de gelden nog (on)rechtstreeks te kunnen innen.

De rulingcommissie bevestigde dat globale waardeverminderingen in casu voldeden aan de voorwaarde van de fiscale wetgever. De aanvrager beschikt namelijk over een geïndividualiseerde lijst met alle klanten die dubieus zijn en maakt daarin een onderscheid afhankelijk van de betalingsachterstand. Het waarschijnlijk te verwachten verlies wordt dan ook bepaald rekening houdende met expertise die de aanvrager heeft opgebouwd uit het verleden en de statische gegevens die hieruit voortvloeiden. Opmerkelijk blijft wel dat de rulingcommissie het arrest van het Hof van Cassatie door deze beslissing volledig naast zich neerlegt. Ze achten deze manier van werken wel voldoende om te voldoen aan de wettelijke voorschriften, maar verbonden de aanvrager er wel toe om de Administratie op haar verzoek te informeren over de evolutie van de vorderingen van de dubieuze debiteuren en alle info aan te leveren die vereist is een controle uit te voeren.

De afgeleverde beslissing maakt het dus mogelijk om de methodiek van de globale waardevermindering te verantwoorden of het touw naar je toe te trekken tijdens een dispuut met de Administratie. Het moet wel worden gezegd dat een voorafgaande beslissing in principe enkel waarde heeft voor de aanvrager, maar het biedt andere belastingplichtigen wel een kader om de wetgeving te interpreteren / toe te passen.

Lees hier het originele artikel

2021-05-08T10:58:28+00:00 11 mei 2021|Categories: Directe belastingen|Tags: , , |