>>>Privéwoning als aftrekbare beroepskost (KPMG)

Privéwoning als aftrekbare beroepskost (KPMG)

Auteurs: Charlotte Vandepitte en Julien Decin (KPMG)

Publicatiedatum: november 2020

Het onderwerp van de gratis terbeschikkingstelling van een private woning door de vennootschap aan haar bedrijfsleider is intussen gekend. De kosten die de vennootschap met betrekking tot dit onroerend goed maakt, kunnen aftrekbaar zijn, zelfs indien de bedrijfsleider (en het gezin) het onroerend goed zuiver als privéwoonst gebruikt.

Deze aftrekbaarheid is evenwel zeker geen automatisme. De vennootschap kan de kosten met betrekking tot het onroerend goed slechts fiscaal aftrekken als ze kan aantonen dat de kosten worden gemaakt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, of nog, voor zover de kosten zijn gemaakt in het eigen belang van de vennootschap en dus niet in het enkele belang van de bedrijfsleider.

Een positieve tendens in de rechtspraak

Recente rechtspraak toont aan dat belastingplichtigen steeds vaker met succes beroep doen op de zogenaamde bezoldigingstheorie, de meerwaardetheorie, of een combinatie van beide.

In een vorig artikel bespraken we reeds het positieve arrest van het hof van beroep te Gent van eind 2019 waarin de aftrek van de kosten met betrekking tot twee appartementen aan de kust werd aanvaard.[1] Het Gentse hof was van oordeel dat de ter beschikking stelling van deze appartementen specifiek bedoeld was als vergoeding voor de werkelijke prestaties die de bedrijfsleider leverde ten behoeve van de vennootschap. Daarnaast kon redelijkerwijze aangenomen worden dat uit de eventuele latere verkoop van de onroerende goederen, een meerwaarde te verwachten valt voor de vennootschap.

Dat was geen alleenstaande overwinning voor de belastingplichtige en de trend ging verder, ook voor het hof van beroep te Antwerpen. Begin dit jaar werd de bezoldigingstheorie andermaal succesvol ingeroepen om de kosten van een appartement, in 99% volle eigendom van de vennootschap, te rechtvaardigen.[2] Ook in deze zaak kon het sterk onderbouwde dossier het hof bekoren. Zo oordeelde het Antwerpse hof dat het onderliggende dossier duidelijk aantoonde dat de terbeschikkingstelling van het onroerend goed voortvloeide uit de toekenning van een voordeel aan de bedrijfsleider, in ruil voor haar beroepswerkzaamheid binnen de vennootschap.

Bovendien sloot het Antwerpse hof zich ook aan bij het aangehaalde argument omtrent het te verwachten toekomstig rendement van vastgoed aan zee. Volgens het hof is het algemeen bekend dat de waarde van het vastgoed, zeker aan de kust, drastisch is toegenomen zodat de verankering van het onroerend goed op de balans van de vennootschap als een belegging kan worden beschouwd waarvan kan worden verwacht dat ze op termijn belastbare winst voor de vennootschap zal opbrengen.

Niettegenstaande deze positieve tendens in de rechtspraak, tonen twee recente arresten van het hof van beroep te Gent van mei dit jaar dan weer duidelijk aan dat het welslagen van de toepassing van deze theorieën steeds staat of valt met de manier waarop de vennootschap haar kosten verantwoordt en concreet bewijst.

De fiscus (en de rechtspraak) zijn immers streng bij de beoordeling van het aangevoerde bewijs. In vele gevallen lukt het de belastingplichtige immers niet om deze theorieën ook in concreto te onderbouwen met voldoende sluitend bewijsmateriaal. Daardoor is het uiteindelijk dan toch soms de belastingplichtige die het fiscale onderspit delft.

Doordat de feitelijke omstandigheden en het aangevoerd bewijs in de verschillende zaken sterk verschillend zijn, blijft de vraag hoe het bewijs dan precies moet worden geleverd. Niettegenstaande er nergens expliciet wordt gesteld aan welke voorwaarden de bewijsvoering dan wel moet voldoen, kunnen we uit de rechtspraak toch een aantal krachtlijnen destilleren die voldoende bewapening lijken te geven om de aftrekbaarheid van dergelijke kosten te verantwoorden.

Aandachtspunten van de fiscus

Bij de beoordeling van het bewijs wordt veel belang gehecht aan formele documenten. Zo kunnen notulen van de algemene vergadering inzake de toegepaste verloningspolitiek, fiscale fiches en winstcijfers van de vennootschap over de jaren heen helpen om aan te tonen dat de terbeschikkingstelling wel degelijk, van begin af aan, kaderde in de verloningspolitiek van de vennootschap.

Evenwel resulteert de aanwezigheid van deze documenten niet automatisch tot een vrijgeleide voor de belastingplichtige. Het zijn enkel elementen waaruit de specifieke intentie om de bedrijfsleider te willen bezoldigen kan worden afgeleid. Concreet aantonen en bewijzen blijft dus de boodschap.

Hetzelfde geldt voor het bewijs over de meerwaardetheorie. Niettegenstaande het hof van beroep te Antwerpen zich in een recente zaak wel tevreden leek te stellen met de “algemene bekendheid” dat appartementen aan de kust over de jaren heen fel in waarde zijn gestegen, lijkt ook hier een uitgebreide documentatie over de evolutie van de vastgoedprijzen in de betreffende gemeente steeds opportuun.

Het Hof van Cassatie wijst de aftrekbaarheid van de kosten van een private woning niet af

Recente mediaberichten brachten echter een domper op de feestvreugde. Een recent arrest van het Hof van Cassatie van juni 2020 zou, althans volgens bepaalde berichtgeving, korte metten gemaakt hebben met de meerwaardetheorie.[3] Volgens ons is een dergelijke stellingname evenwel voorbarig en onterecht.

Het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent waartegen cassatieberoep werd ingesteld, wees de aftrekbaarheid van de kosten met betrekking tot het onroerend goed om verschillende redenen af.[4] Vooreerst was de invulling van de bewijsvoering inzake de bezoldigingstheorie ondermaats. Daarnaast oordeelde het Gentse hof dat het enkele feit dat er een kans zou bestaan dat er een latere meerwaarde wordt gerealiseerd, niet volstaat om de aftrek toch te verantwoorden. Tenslotte veegde het Gentse hof ook het argument inzake lusthuizen van tafel vermits deze bepaling niet van toepassing kan zijn op een woning.

De belastingplichtige trok naar het Hof van Cassatie en richtte haar pijlen op het tweede en derde argument.[5]

Het Hof van Cassatie stelt vast dat het Gentse hof niet geoordeeld heeft dat er slechts sprake kan zijn van aftrekbare beroepskosten wanneer het gaat om kosten die met zekerheid inkomsten zullen genereren. Het Gentse hof heeft daarentegen geoordeeld dat uit het enkele feit dat er een kans bestaat dat bij latere realisatie van de woning een meerwaarde wordt gerealiseerd, niet volgt dat de kosten automatisch zijn gedaan of gedragen met de intentie om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

De argumentatie van de belastingplichtige berustte dus op een onjuiste lezing van het arrest van het Gentse hof en mist bijgevolg feitelijke grondslag, aldus het Hof van Cassatie.

Met andere woorden, het Hof van Cassatie sprak zich niet uit over het staan of vallen van de meerwaardetheorie as such en al geenszins over de bewering dat een kans op een meerwaarde onvoldoende zou zijn voor de aftrekbaarheid van de kosten.

Gelet op de foutieve lezing van het arrest door de belastingplichtige is het dan ook niet correct om te stellen dat het Hof van Cassatie met dit arrest de meerwaardetheorie zou hebben afgewezen nu ze zich hier überhaupt niet over heeft uitgesproken.

Meer zelfs, wij durven te stellen dat er niets aan de hand is en dat de kans bestaat dat, in een volgend arrest, het Hof van Cassatie de meerwaardetheorie wel degelijk opnieuw zal weerhouden.

Conclusie: een solide bewijsvoering blijft fundamenteel

Het Hof van Cassatie trapt met haar uitspraak geenszins heilige huisjes in en de mogelijkheid om beroep te doen op de bezoldigings- en/of meerwaardetheorie blijft bestaan voor zover de kosten gerechtvaardigd en bewezen kunnen worden.

De conclusie blijft dus dezelfde als die van vóór het arrest van 25 juni 2020: een coherente bewijsvoering is en blijft van cruciaal belang. Goed gefundeerde dossiers hebben een kans op slagen, dossiers gebouwd op los zand vallen als een kaartenhuis ineen.

  1. Gent 19 mei 2020, 2019/AR/722 en 2019/AR/723, www.monKEY.be
  2. Antwerpen 14 januari 2020, 2018/AR/1207, www.monKEY.be
  3. Cass. 25 juni 2020, F.18.0148.N
  4. Gent 27 maart 2018, 2015/AR/2067; www.monKEY.be
  5. In deze bijdrage focussen wij ons echter enkel op het tweede argument.

Lees hier het originele artikel

2020-11-25T13:44:06+00:00 28 november 2020|Categories: Directe belastingen|Tags: , , |