>, Gerechtelijk recht>Ongrondwettig belastingreglement leidt niet tot ambtshalve ontheffing (GD&A Advocaten)

Ongrondwettig belastingreglement leidt niet tot ambtshalve ontheffing (GD&A Advocaten)

Auteurs: Nathalie Wouters en Nour Isho (GD&A Advocaten)

Publicatiedatum: 09/12/2020

Wanneer hoven en rechtbanken een belastingreglement ongrondwettig achten en daarom buiten toepassing laten, trachten andere belastingschuldigen, die niet eerder een bezwaarschrift hadden ingediend, vaak alsnog hun voordeel te doen via de procedure van ambtshalve ontheffing.

Het Grondwettelijk Hof heeft in haar arrest van 26 november jl. (nr. 160/2020) bevestigd dat de belastingschuldige later – op basis van een voor hem gunstig vonnis of arrest inzake een andere aanslag – geen aanspraak kan maken op ontheffing en desgevallend terugbetaling wanneer hij voordien niet tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend.

Algemeen

Artikel 376, §1 WIB 92 maakt onder meer een ambtshalve ontheffing mogelijk van overbelastingen die zouden blijken “uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingplichtige wordt verantwoord door gewettigde redenen”. Volgens artikel 376, §2 WIB 92 wordt “een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van de jurisprudentie” evenwel niet als een nieuw gegeven beschouwd en is in een dergelijk geval geen ambtshalve ontheffing mogelijk.

Voorafgaand

Sommige hoven waren van oordeel dat een arrest van het hof van beroep met betrekking tot het aspect van de ongrondwettigheid, beschouwd kon worden als een “nieuw feit” dat niet binnen de normale bezwaartermijn kon worden ingeroepen door de belastingplichtige en aldus als grondslag kon dienen voor een verzoek tot ambtshalve ontheffing.

Het Grondwettelijk Hof ziet dit evenwel anders.

Schending van de artikelen 10, 11 en 172 Gw.?

Middels verschillende prejudiciële vragen werd beoogd te vernemen of artikel 376 WIB 92 een discriminatie inhoudt in de interpretatie dat een arrest van het Grondwettelijk Hof gewezen op een prejudiciële vraag, waarbij de ongrondwettigheid van een wettelijke fiscale norm wordt vastgesteld, als een nieuw feit wordt beschouwd dat aanleiding kan geven tot een ambtshalve ontheffing van overbelastingen, terwijl dat niet geval zou zijn voor:

  • een uitspraak van de gewone hoven en rechtbanken waarbij een uitvoerende belastingnorm in haar geheel of in een bepaalde interpretatie ongrondwettig wordt verklaard op basis van artikel 159 van de Grondwet en ten aanzien waarvan de fiscale administratie zich uitdrukkelijk heeft neergelegd;
  • arresten van de hoven van beroep, in kracht van gewijsde getreden en gewezen ten aanzien van andere schuldenaars waarin inter partes werd geoordeeld dat een fiscale uitvoerende norm het gelijkheidsbeginsel schendt, schending die door de administratie werd erkend en aanleiding heeft gegeven tot een wijziging van die rechtsnorm voor de toekomst;
  • een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de hoven en rechtbanken waarmee op grond van artikel 159 van de Grondwet wordt geoordeeld dat een algemeen, provinciaal of plaatselijk besluit of verordening buiten toepassing wordt verklaard wegens schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie;
  • in kracht van gewijsde getreden beslissingen van gewone hoven en rechtbanken die de ongrondwettigheid van uitvoerende fiscale normen vaststellen, ongrondwettigheid die door de administratie werd erkend en aanleiding heeft gegeven tot een wijziging van die norm.

Het Hof brengt in herinnering dat de draagwijdte van de rechtspraak van hoven en rechtbanken in individuele zaken verschilt van de draagwijdte van een arrest van het Grondwettelijk Hof. Hieruit volgt dat de gevallen waarin een bepaling ongrondwettig wordt verklaard door het Grondwettelijk Hof, niet afdoende vergelijkbaar zijn met de gevallen waarin toepassing wordt gemaakt van artikel 159 van de Gw. door de hoven of rechtbanken.

Vervolgens haalt het Hof aan dat het haar uitsluitende bevoegdheid is om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de grondwettigheid van een wettelijke fiscale norm. Op basis van artikel 159 Gw. komt het daarentegen toe aan de hoven en rechtbanken om de bepalingen van een besluit of een verordening die niet in overeenstemming zouden zijn met de Grondwet, niet toe te passen.

Het Hof wijst er eveneens op dat wanneer artikel 376 WIB 92 zo zou moeten worden geïnterpreteerd dat een dergelijke beslissing van de hoven en rechtbanken, buiten het geschil waarin de ongrondwettigheid werd vastgesteld, door de belastingadministratie als een nieuw gegeven moet worden beschouwd dat kan leiden tot een ambtshalve ontheffing van overbelastingen, dan zou aan de voormelde rechterlijke beslissing een gezag worden toegekend dat niet in overeenstemming is met artikel 159 Gw.

Het Hof heeft om die reden geoordeeld dat artikel 376 WIB 92 de artikelen 10, 11 en 172 Gw. niet schendt, in de interpretatie dat de beslissingen van de hoven en rechtbanken waarbij de ongrondwettigheid van een reglementaire fiscale bepaling wordt vastgesteld, geen nieuw gegeven zijn dat in aanmerking komt voor de ambtshalve ontheffing van overbelastingen.

Indien uw bestuur aldus in het ongelijk zou worden gesteld in een gerechtelijke procedure inzake gemeentebelastingen, heeft dit niet tot gevolg dat de eerder definitief geworden aanslagen naar aanleiding van dit betrokken vonnis of arrest dienen te worden ontheven.

Het voorgaande is van toepassing wanneer hoven en rechtbanken in individuele fiscale geschillen een belastingreglement ongrondwettig achten. Deze situatie verschilt van deze waarin de Raad van State een belastingreglement vernietigt wegens een ongrondwettigheid. In dat geval verdwijnt het reglement wel uit de rechtsorde en zouden belastingplichtigen zich mogelijks kunnen baseren op de figuur van de onverschuldigde betaling (Rb. Leuven 29 september 2006).

Lees hier het originele artikel

2020-12-13T09:28:07+00:00 15 december 2020|Categories: Directe belastingen - Gerechtelijk recht|Tags: , |