>>>Het jubileum dat volgens de belastingcontroleur niet gevierd mocht worden (Ichiban Consult)

Het jubileum dat volgens de belastingcontroleur niet gevierd mocht worden (Ichiban Consult)

Auteur: Jan Lambrechts (Ichiban Consult)

Publicatiedatum: 01/06/2021

Het is al lang bekend dat de Belgische fiscus de mening is toegedaan, dat het verlenen van vrijstelling van Belgische belasting op basis van een internationaal belastingverdrag beschouwd moet worden als een bijzondere gunst, waarvan een belastingplichtige slechts in zeer bijzondere gevallen gebruik mag maken. België is op dit vlak veel strenger dan de meeste andere landen waarmee verdragen werden afgesloten. De redelijkheid van deze aanpak kan behoorlijk in vraag gesteld worden.

We stellen steeds vaker vast dat controleurs zich geen enkele moeite besparen in hun betrachting om de verdragsvrijstelling van Belgische ingezetenen te kelderen en het betreffend inkomen toch nog in België te belasten. Zij schrikken hierbij niet terug om over te gaan tot internationale dubbele taxatie (onder het mom dat het andere verdragsland zich ‘vergist’ of de regels niet begrijpt) en dwingen de belastingplichtige regelmatig om een langdurig en complex rechtsgeschil op te starten om gebruik te kunnen maken van zijn rechten.

Onlangs kwam een zaak voor het Antwerpse hof van beroep (arrest Hof van beroep Antwerpen van 19.01.2021), waarin de Administratie alle mogelijke kunstgrepen had bovengehaald. Men trachtte de verdragsvrijstelling voor een Belgische belastingplichtige te blokkeren via twee klassieke ‘trucjes’. De rechters liepen hier gelukkig niet in.

De belastingplichtige woonde in België en was als directeur (bedrijfsleider) in dienst van een Nederlandse werkgever. Omwille van zijn jarenlange trouwe dienst bij de onderneming werd hij beloond met een welverdiende jubileumuitkering. De Nederlandse jubileumuitkering vormde een extra vergoeding vanwege de werkgever ten gunste van de werknemer, die 25 dienstjaren bij het bedrijf gediend had. Het ging om een eenmalige uitkering, die niet hoger was dan één maandloon. Er werd voldaan aan alle voorwaarden naar Nederlands recht opdat de uitkering kon genieten van belastingvrijstelling in Nederland.

De betrokken directeur claimde in zijn Belgische belastingaangifte vrijstelling van belasting op zijn normale bezoldigingen in toepassing van artikel 16 van het belastingverdrag tussen België en Nederland omdat dit inkomen in Nederland belast moest worden. Ook de jubileumuitkering werd als een in België vrijgesteld inkomen beschouwd.

De Belgische controleur wenste echter de naar zijn bescheiden mening ‘bijzondere gunst’ van de verdragsvrijstelling niet te verlenen, en deed een aantal verbeten pogingen om het inkomen vooralsnog in België belast te krijgen. Zo kwam hij in eerste orde op het slinkse idee om de jubileumuitkering een andere fiscale kwalificatie te geven dan het reguliere loon.

Via deze eerste truc zou het inkomen niet langer onder artikel 16 van het verdrag vallen (zoals van toepassing op bestuurdersbeloningen) maar verschuiven naar artikel 21 (het zogeheten restartikel). Via dit ingenieus achterpoortje werd gesteld dat het hier niet ging om een inkomen als bedrijfsleider, maar wel om een niet elders in het verdrag benoemd inkomen (de categorie van de zogenaamde ‘andere inkomsten’, die onder het restartikel 21 vallen). Als gevolg hiervan zou plots de woonstaat, België, heffingsbevoegd worden.

Gelukkig hebben de Belgische rechters de Administratie erop gewezen dat de  jubileumuitkering naar Belgisch recht wel degelijk kwalificeert als een bedrijfsleidersbezoldiging in de zin van artikel 32 W.I.B. 1992 en dus ressorteert onder artikel 16 van het verdrag en niet onder het restartikel van het verdrag. De heffing erop komt bijgevolg op basis van artikel 16 toe aan de bronstaat (Nederland) en niet aan de woonstaat (België).

De fiscale kwalificatie van de jubileumuitkering als bedrijfsleidersbeloning in de zin van artikel 16.1 van het verdrag sluit inderdaad de kwalificatie van de uitkering als ‘andere inkomsten’ (onder het zogeheten restartikel 21 van het verdrag) uit. Het restartikel behandelt enkel de heffingsbevoegdheid van inkomsten die niet in de voorgaande verdragsartikelen worden behandeld. Krachtens artikel 16.1 komt de heffingsbevoegdheid op de jubileumuitkering toe aan Nederland en niet aan België en in deze context komt het restartikel zelfs in het geheel niet aan de orde.

De Belgische fiscus vond niet beter dan een tweede kneepje uit de hoed te toveren en te stellen dat België, ditmaal in toepassing van het vrijstellingsartikel (artikel 23 van het verdrag), slechts vrijstelling moet verlenen indien het inkomen in Nederland ook daadwerkelijk werd belast. Het is hoogst verwonderlijk dat België gebruik meent te kunnen maken van een vrijstellingsartikel, en dit nadat een ander verdragsartikel de heffing reeds aan het andere land had toegewezen, om inkomen toch nog te gaan belasten.

Via de indirecte route van het vrijstellingsartikel wenste de fiscus het in Nederland vrijgesteld inkomen terug in België onder de belastingheffing te duwen. Dit is een trucje, dat enkele jaren geleden werd uitgevonden om te trachten de verdragsvrijstelling (op basis van andere verdragsartikelen) toch nog in extremis te kelderen door een al te strikte interpretatie van het vrijstellingsartikel.

De Belgische Staat wierp op dat de vrijstelling (met progressievoorbehoud) botweg mocht geweigerd worden door te stellen dat niet aan alle voorwaarden hiertoe was voldaan. Er werd in dit licht op gewezen dat de jubileumuitkering niet daadwerkelijk was belast in Nederland maar integendeel van belasting was vrijgesteld in dat land. De term ‘belast’ in artikel 23.1. van het verdrag moest volgens de fiscus worden gelezen als ‘daadwerkelijk belast’. Bij gebrek aan daadwerkelijke Nederlandse belasting zou er dus geen grond tot vrijstelling zijn.

Dit ingenieuze taalspelletje snijdt echter geen hout en ook op dit vlak stuit de ijverige controleur op de wijsheid van de rechters. Omdat de bronstaat, Nederland volgens artikel 16 van het verdrag heffingsbevoegd is, dient België de vrijstelling te verlenen in toepassing van artikel 23 DBV. De rechters wijzen erop dat de administratie ten onrechte meent dat de term ‘belast’ onverkort gelezen moet worden als ‘daadwerkelijk belast’ en gingen niet mee in het verhaal van de taalkundige fijnslijperij.

In lijn met reeds bestaande rechtspraak op dit vlak stellen de rechters dat het voor de verdragsvrijstelling volstaat dat het inkomen in de bronstaat principieel belastbaar is en in dat land onderworpen is geweest aan de belastingregeling die er gewoonlijk op van toepassing is. Een jubileumuitkering is principieel in Nederland belastbaar, maar kan worden vrijgesteld omdat er aan welbepaalde voorwaarden van intern Nederlands recht is voldaan. Omdat er in Nederland uitdrukkelijk voorzien was in de vrijstelling van belasting moet het inkomen volgens het hof geacht worden wel degelijk belast te zijn geweest in de zin van artikel 23.1 van het verdrag.

Bijgevolg moet de woonstaat België de verdragsvrijstelling gewoonweg toestaan en kan de vrijstelling van belasting naar intern Nederlands recht door België niet via de achterdeur ongedaan gemaakt worden.

We kunnen het arrest van het Antwerpse hof van beroep enkel toejuichen omdat het eens te meer een belangrijke dam opwerpt tegen de bijzondere ijver waarmee België tracht haar inwoners het recht op belastingvrijstelling te ontnemen, dat hen nochtans toekomt volgens de internationale belastingverdragen. De bijzonder hardnekkige houding in deze van de Belgische fiscus lijkt helemaal niet in lijn met het principe van de uitvoering te goeder trouw van internationale overeenkomsten.

De internationale fiscaliteit is een bijzonder complex domein in ons belastingrecht en enige redelijkheid en terughoudendheid vanwege de Belgische fiscus bij de toepassing van de belastingverdragen ten koste van haar ingezetenen lijkt ons niet meer dan terecht. De courante praktijk waarbij de fiscus systematisch de verdragsvrijstelling van Belgische ingezetenen in vraag stelt en niet aarzelt hierover geschillen aan te vatten past niet echt meer in het beeld van een moderne en rechtvaardige fiscaliteit. Het feit dat er hier ijverig gebruik (of is het eerder misbruik)  gemaakt wordt van de overdreven complexiteit van de regelgeving om de belastingplichtige in een jarenlang geschil te duwen lijkt ons niet echt gepast. Ook zonder tussenkomst van rechtbanken en hoven zou aan deze praktijk beter een einde gesteld worden en dienen er aangepaste instructies aan de controleurs op het terrein gegeven te worden.

Lees hier het originele artikel

2021-06-05T12:41:12+00:00 11 juni 2021|Categories: Directe belastingen|Tags: , , |