>>>Gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing: aan een revival bezig? Analyse van de laatste ontwikkelingen (Antaxius Advocaten)

Gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing: aan een revival bezig? Analyse van de laatste ontwikkelingen (Antaxius Advocaten)

Auteurs: Bart Engelen en Dieter Moens (Antaxius Advocaten)

Publicatiedatum: 26/04/2020

1. Gemeentelijke opcentiemen

1. Opcentiemen hebben dezelfde aard en hetzelfde doel als de hoofdbelasting waarop zij worden geheven[1]. De grondslag van de opcentiemen is bijgevolg de prestatie die door een andere belasting wordt opgelegd[2]. De Vlaamse Codex Fiscaliteit machtigt de gemeenten, steden en provincies om opcentiemen te heffen op de onroerende voorheffing. Focus in dit artikel ligt op de ‘macht’ die de gemeenten en steden hebben om deze opcentiemen te heffen op de onroerende voorheffing. Deze opcentiemen vormen een belangrijke bron van de gemeentelijke of stedelijke financiering.

De bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, het Nieuwe Invorderingswetboek en de Vlaamse Codex Fiscaliteit zijn van toepassing voor de vestiging en de invordering van de opcentiemen op de onroerende voorheffing.

Conform artikel 3.1.0.0.4, par. 2 VCF moet het aantal te vestigen opcentiemen uiterlijk op 31 januari van het aanslagjaar zijn vastgesteld en uiterlijk op 1 maart van het aanslagjaar zijn meegedeeld aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Belastingdienst[3]. De gemeentelijke opcentiemen worden samen met de basisbelasting, zijnde in casu de onroerende voorheffing, ingevorderd door de Vlaamse Belastingdienst en zullen later worden doorgestort naar de gemeenten en steden.

Voor aanslagjaar 2020 kunnen de gemeenten hun opcentiemen op de onroerende voorheffing (OOV) nog herzien om fiscaal tegemoet te komen aan belastingplichtigen of bepaalde categorieën van belastingplichtigen die het financieel moeilijk hebben door de coronacrisis[4].

De gemeenten die van die mogelijkheid gebruik willen maken, stellen een nieuw belastingreglement vast tegen uiterlijk 20 mei en maken dit uiterlijk op 31 mei elektronisch over aan de Vlaamse Belastingdienst. Ze maken daarvoor gebruik van het digitale loket voor lokale besturen.

Voor de berekening van de voorschotten, mailt de gemeente een raming van de ontvangsten, die ze verwacht uit het vastgestelde nieuwe tarief, naar gemeentenvlabel@vlaanderen.be. Een aanpassing van het meerjarenplan 2020-2025 is niet vereist.

Door een bijkomende termijn voor wijziging van de opcentiemen toe te staan, verschuift de volledige inningsprocedure. De Vlaamse Belastingdienst kan ten vroegste eind juni starten met de inkohiering van de onroerende voorheffing, terwijl dat gewoonlijk al eind april, begin mei is. Voor alle gemeenten blijft de huidige voorschottenregeling gelden en zal de Vlaamse Overheid de latere inning dus voorfinancieren.

2. Onroerende voorheffing

2. De grondslag van de belasting gemeentelijke opcentiemen is in casu het bedrag van de onroerende voorheffing. De onroerende voorheffing is een gewestbelasting, gevestigd op het kadastraal inkomen van onroerende goederen (zijnde gronden, woningen, gebouwen en bepaalde bedrijfsuitrusting). De vestiging en de invordering van de onroerende voorheffing behoort tot de bevoegdheid van de gewesten.

De onroerende voorheffing neemt het kadastraal inkomen als basis, waardoor in casu de gemeentelijke opcentiemen automatisch ook zijn gebaseerd op dit kadastraal inkomen.

Differentiatie

3. Zijn de gemeentelijke opcentiemen aan een revival bezig? Ingevolge het Decreet van 18 mei 2018 houdende wijziging van artikel 41 van het Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat de verfijning van de belastingbevoegdheid van de gemeenteraad betreft (BS 11 juni 2018) werd namelijk de procedure ingevoegd wanneer een gemeente of stad beslist om vrijstellingen of verminderingen te bepalen bij het vastleggen van de opcentiemen op de onroerende voorheffing, alsook wanneer de gemeente of stad elke andere vorm van differentiatie met lagere tarieven van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing wenst vast te leggen[5]. De inwerkingtreding van dit decreet is vanaf aanslagjaar 2019.

Het decreet handelt dus enkel maar over de procedure die moet worden gevolgd wanneer een gemeente of stad heeft beslist om te differentiëren aangaande de opcentiemen op de onroerende voorheffing.

Hierbij moet echter worden opgemerkt dat volgens het advies van de Raad van State bij het decreet de gemeenten en steden sowieso de bevoegdheid hebben om op basis van artikel 464/1 WIB 1992 hun tarieven aangaande de opcentiemen te differentiëren[6]. In die zin vormt niet zozeer het decreet de aanleiding voor de vraag of opcentiemen op de onroerende voorheffing gedifferentieerd kunnen worden, maar wel de opmerking van de Raad van State die in algemene bewoordingen heeft gesteld dat een machtiging om opcentiemen te heffen, impliceert dat de gemeente of stad zowel de tarieven, de vrijstellingen als de verminderingen van die opcentiemen kan bepalen[7].

4. Gelet op het Decreet van 18 mei 2018 werd aldus de piste verlaten dat de bevoegdheid van de gemeenten en steden om opcentiemen op onroerende voorheffing te heffen uniform diende te worden toegepast. Met andere woorden, op alle belastingplichtigen in een bepaalde gemeente of stad hetzelfde aantal opcentiemen.

Bij deze mogelijkheid tot differentiatie moeten wel bepaalde voorwaarden worden nageleefd door de gemeente of stad, zodat in de rechtsleer de bemerking werd gemaakt dat de gemeenten en steden nu worden beperkt in hun bevoegdheid[8].

5. Qua voorwaarden kan in het algemeen worden verwezen naar het gegeven dat deze differentiatie geen afbreuk mag doen aan het doel en de strekking van de Vlaamse hoofdbelasting en mits naleving van een strikte procedure. Het Decreet van 18 mei 2018 bepaalt de procedure, terwijl het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 bepaalt hoe de gemeenten en steden dat meer concreet moeten doen[9].

6. De wetgever heeft de bepaling bewust algemeen gehouden en spreekt niet van een gedifferentieerde onroerende voorheffing op basis van bijvoorbeeld een geografisch criterium (een bepaalde buurt of wijk)[10]. Dat betekent dat ook andere criteria kunnen worden gehanteerd om te variëren, zoals het type belastingplichtigen (bijvoorbeeld bedrijven of particulieren), of inwoners en niet-inwoners van de gemeente of stad. ‘Binnengemeentelijk’ / ‘binnenstedelijk’ kan er aldus worden gedifferentieerd[11]. Deze mogelijkheid van differentiatie is volgens de memorie van toelichting ingegeven vanuit de idee om de kernen van steden en gemeenten te verdichten en om tegemoet te komen aan de vraag naar betaalbaar wonen[12].

7. De gemeenteraad kan zijn potentiële bevoegdheid tot het bepalen van vrijstellingen en verminderingen, of elke andere vorm van differentiatie met lagere tarieven van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing uitoefenen mits zij volgende voorwaarden naleeft:

  • Een voorstel van gemeenteraadsbesluit dat vrijstellingen, verminderingen of differentiatie met lagere tarieven vaststelt voor de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing moet voorafgaandelijk aan de Vlaamse Regering en de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, vermeld in het ‘decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit’[13], worden voorgelegd[14];
  • Een dossier dat aan de Vlaamse Regering wordt bezorgd, bevat ten minste een grondige motiveringsnota over de noodzaak van de differentiatie, alsook de criteria[15] die de gemeente of stad wil gebruiken om vrijstellingen, verminderingen of een differentiatie van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing toe te passen, en eveneens de waarden van die criteria en de opcentiemen die van toepassing zijn als er aan de criteria wordt beantwoord;
  • De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie levert op basis van de motivering vanwege de gemeente of stad en op basis van het rapport van de Vlaamse belastingdienst een advies af over de technische uitvoerbaarheid van de beoogde gemeentelijke vrijstellingen of verminderingen;
  • Het advies wordt gevoegd bij het voorstel van gemeenteraadsbeslissing dat aan de gemeenteraad in kwestie wordt voorgelegd.

Het advies van de Vlaamse overheid is echter niet bindend[16], zodat in principe geen afbreuk zal worden gedaan aan de gemeentelijke autonomie en aan de extra vrijheid die de gemeenten hebben verkregen door de wijziging aan het Decreet Lokaal Bestuur. De Vlaamse overheid kijkt enkel naar de technische haalbaarheid en niet naar de opportuniteit[17].

Deze bevoegdheid van de gemeenten en steden blijft logischerwijze wel onderworpen aan de controle van de toezichthoudende overheid. Het Vlaams Gewest kan aldus bij de uitoefening van het toezicht het aangebrachte verschil in differentiatie toetsen aan het algemeen belang. Het algemeen belang is elk belang dat ruimer is dan het gemeentelijk belang. De nieuwe bevoegdheid tot differentiatie wordt de gemeente aangereikt om tegemoet te komen aan lokale specifieke behoeften. Het is daarbij blijkbaar volgens de parlementaire voorbereiding niet de bedoeling die bevoegdheid te misbruiken en toepassing te maken van deloyale fiscale concurrentie. De gemeenten en steden zijn met andere woorden aan strikt toezicht onderworpen[18].

Indien blijkt dat de Vlaamse Belastingdienst de gekozen differentiatie niet kan verwerken bij de inning van de onroerende voorheffing, dan zal de gemeente of stad door de Vlaamse Belastingdienst worden aangeraden om de inning voor eigen rekening te nemen. Echter vermits de inning van de onroerende voorheffing een gewestmaterie blijft, moet de gemeente of stad werken met een teruggave van de geïnde voorheffing en zal zij ook zelf moeten instaan voor de administratie[19].

De bezwaar- en geschillenprocedure die er eventueel kan ontstaan, zal namens de gemeente of stad trouwens worden verricht door de Vlaamse belastingdienst[20].

8. De regels voor differentiëring blijven onverminderd de coronacrisis gelden. De gemeenten die hun opcentiemen dus willen differentiëren moeten dus rekening houden met de procedure en de adviestermijnen in artikel 3.1.0.0.6 van het Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit. De gemeenten zullen daarnaast ook een aangepast bedrag van hun begrotingsraming voor de ontvangsten uit de onroerende voorheffing moeten doorgeven, om de voorschotten correct te kunnen berekenen. Die begrotingsraming moet worden meegedeld via gemeentenvlabel@vlaanderen.be.

3. Toepassing in de praktijk

9. Sinds de inwerkingtreding van het Decreet van 18 mei 2018 houdende wijziging van artikel 41 van het Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat de verfijning van de belastingbevoegdheid van de gemeenteraad betreft (BS 11 juni 2018) bleef het opvallend stil in het Vlaamse landschap. Daar kwam recent verandering in.

De gemeente Sint-Pieters-Leeuw en de stad Gistel maken namelijk voor aanslagjaar 2020 als eerste gebruik van de mogelijkheid om de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing te differentiëren.

4. Gemeente Sint-Pieters-Leeuw

Op de zitting van de gemeenteraad van 19 december 2019 werd het belastingreglement aangenomen omtrent de belasting opcentiemen op de onroerende voorheffing voor de periode 2020-2025[21]. Zoals reeds eerder werd toegelicht, dient er voorafgaandelijk een advies te worden gevraagd aan de Vlaamse Belastingdienst omtrent de technische uitvoerbaarheid. De gemeente bekwam dergelijk positief advies.

In de aanleiding en motivering van de betrokken beslissing van 19 december 2019 kan worden gelezen dat tot voor kort de tarieven voor particulieren en nijverheid in de gemeente 566,75 opcentiemen bedroegen. Het voorstel van de gemeente was om dit tarief te behouden voor de ‘gewone onroerende goederen’ en op 740 opcentiemen te brengen voor de ‘industriële kadastrale inkomens’ (op nijverheidsgronden, nijverheidspanden en materieel en outillage). Deze verhoging werd volgens de gemeente verricht om de huidige bedrijfsvoorheffing op oppervlakten belastingneutraal in te kantelen in de onroerende voorheffing.

Verder kan in de aanleiding en motivering worden gelezen dat het kadastraal inkomen op “industrie” niet de kleine handelaars, landbouwers en gewone zelfstandigen in hoofd- of bijberoep omvat. Voor deze groep blijft het tarief van de onroerende voorheffing dus ongewijzigd op 566,75 opcentiemen, terwijl de bedrijfsbelasting wegvalt.

Volgens de gemeente zal binnen de groep ‘industrie’ voor het merendeel van de bedrijven het nieuwe tarief van de onroerende voorheffing-industrie ruimschoots gecompenseerd worden door het wegvallen van de bedrijfsbelasting, en zal de inkanteling ook een belastingverlaging betekenen. Een aantal zeer kapitaalintensieve grotere bedrijven met een relatief kleinere oppervlakte zullen per saldo volgens de gemeente wellicht meer belasting gaan betalen.

Gelet op het voorgaande wenste de gemeente aldus de gemeentelijke bedrijfsfiscaliteit te vereenvoudigen. Dit kon volgens de gemeente door de bedrijfsbelasting op oppervlakte af te schaffen. Het bracht een te grote administratieve last met zich mee voor zowel de bedrijven als voor de gemeentelijke administratie, aangezien de betrokken bedrijfsbelasting een aangiftebelasting is.

5. Stad Gistel

Op dezelfde dag als de gemeente Sint-Pieters-Leeuw nam ook de gemeenteraad van de stad Gistel het belastingreglement omtrent de belasting opcentiemen op de onroerende voorheffing voor aanslagjaar 2020 aan[22]. Ook hier bekwam de stad een positief advies van de Vlaamse Belastingdienst omtrent de technische uitvoerbaarheid.

In de motivering van de betrokken beslissing van 19 december 2019 kan worden gelezen dat het college van burgemeester en schepen voorstelt om de gemeentelijke opcentiemen te differentiëren naar gelang het type eigendom en de hoogte van het niet-geïndexeerd KI. Tot voor kort werd volgens de stad het criterium van het kadastraal inkomen als basis genomen voor het verminderd registratierecht bij de aankoop van een eerste eigen woning. De woningen met een niet-geïndexeerd KI van 745,00 EUR of minder konden genieten van een verlaagd registratierecht. In die regeling werden de woningen met een kadastraal inkomen van 745,00 EUR of minder beschouwd als ‘sociale’ woningen en daarom lager belast bij de aankoop ervan. De stad stelt dat zij via een differentiatie van de opcentiemen op de onroerende voorheffing een blijvende jaarlijkse financiële stimulans wenst te bieden aan inwoners die een eigen ‘sociale’ woning verwerven. Concreet gaat het om volgend onderscheid:

  • Voor alle belastbare onbebouwde eigendommen worden de opcentiemen op de onroerende voorheffing vastgesteld op 1.070.
  • Voor alle belastbare bebouwde eigendommen met een niet-geïndexeerd kadastraal inkomen lager dan of gelijk aan 745,00 EUR worden de opcentiemen op de onroerende voorheffing vastgesteld op 1.000.
  • Voor alle belastbare bebouwde eigendommen met een niet-geïndexeerd kadastraal inkomen hoger dan 745,00 EUR worden de opcentiemen op de onroerende voorheffing vastgesteld op 1.070.

Tot slot stelt de stad dat het criterium van de bebouwing op de eventuele aanwezigheid van materieel en outillage primeert.

6. Kritieken

10. In de rechtsleer is er kritiek gekomen op de differentiatie van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing.

Zo is er op gewezen dat deze mogelijkheid allesbehalve vanzelfsprekend is, onder meer gelet op het feit dat de opcentiemen dezelfde aard moeten hebben als de basisbelasting waarop ze worden geheven zodat vrijstellingen, verminderingen of tariefverschillen die deze gelijkaardigheid aantasten onwettig zijn[23].

11. Ook een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel kan als kritiek worden aangehaald[24]. Een differentiatie is uiteraard niet per sé discriminerend, echter hoe verhoudt het gelijkheidsbeginsel met het gegeven dat de basis van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing, zijnde het kadastraal inkomen zelf ‘in het bedje van de gelijkheid doodziek is’[25]? Een kadastraal inkomen dat werd vastgesteld in de jaren zeventig van vorige eeuw vertoont vaak geen enkele band meer met de huurwaarde van het betrokken vandaag in 2020. De verwijzing van de Stad Gistel naar het kadastraal inkomen van 745,00 EUR als grens, waarbij dit kadastraal inkomen werd vastgesteld in de jaren zeventig van vorige eeuw, zet dan ook potentieel de deur open naar mogelijke geschillen.

Het is aldus zaak voor de gemeenten en steden die gebruik willen maken van de geboden mogelijkheid om werk te maken van een afdoende motivering. De Raad van State verwees in zijn advies trouwens uitdrukkelijk naar de vereiste om binnen de grenzen van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en discriminatie te blijven[26].

12. Tot slot dient ook bij het advies van de Vlaamse Belastingdienst een kanttekening te worden geplaatst. Het advies betreft enkel een advies in verband met de technische uitvoerbaarheid van de vooropgestelde differentiatie. Dit advies houdt evenwel niet in dat de Vlaamse Belastingdienst zich uitspreekt over de juridische geldigheid en de mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel. Als de beoogde differentiatie het gelijkheidsbeginsel schendt dan kan een annulatieberoep tegen het belastingreglement bij de Raad van State worden ingediend of kan naderhand tegen de aanslag in de onroerende voorheffing met vestiging van de gedifferentieerde opcentiemen een exceptie van onwettigheid worden opgeworpen zodat het gemeenteraadsbesluit niet door de fiscale rechter wordt toegepast. Tot slot is de Vlaamse Belastingdienst ook niet aansprakelijk voor gevolgen hiervan, ook niet als het voorstel tot differentiatie technisch uitvoerbaar is verklaard. Het advies omvat ook geen simulatie van budgettaire effecten van differentiatie die de gemeente of stad beoogt. De Vlaamse Belastingdienst is niet aansprakelijk voor onevenwichtige of afwijkende begrotingen door de toepassing van de differentiatie.

7. Conclusie

13. Het Decreet van 18 mei 2018 houdende wijziging van artikel 41 van het Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat de verfijning van de belastingbevoegdheid van de gemeenteraad betreft (BS 11 juni 2018) heeft de procedure geregeld als de gemeenten of steden beslissen om gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing in te voeren. Het Decreet kent op zich aldus geen bevoegdheid toe om gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing te heffen[27].

Dit systeem van gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing heeft het voordeel dat het voor de gemeente of stad een lagere administratieve last met zich meebrengt, alsook voor de belastingplichtigen. De betrokken belasting is namelijk geen aangiftebelasting, maar kan automatisch worden berekend op basis van de hoofdbelasting, zijnde de onroerende voorheffing.

Doch zoals gemeld komt er veel kritiek vanuit de rechtsleer op het systeem van gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing. Onder meer de gemeente of stad zal werk moeten maken van een afdoende motivering, zijnde een verantwoording een objectieve en redelijke wijze. Omwille van deze grote risico’s is er blijkbaar bij de gemeenten en steden een zekere terughoudendheid bij de toepassing van dit systeem. Weinigen willen blijkbaar de stap wagen.

Zijn de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing aan een revival bezig? De toekomst zal uitwijzen of andere gemeenten en steden de gemeente Sint-Pieters-Leeuw en de stad Gistel zullen bijtreden en het aldus zullen aandurven om dergelijk systeem in te voeren. Gelet op het financiële belang van de gemeentelijke opcentiemen voor gemeenten en steden: een gewaarschuwd mens is er twee waard.

P.S. Dit artikel werd eerder al gepubliceerd op het digitale platform FinConnect van uitgeverij Vanden Broele en op LegalNews.be geplaatst met toestemming van de auteurs van dit artikel

[1] Zie onder meer Cass. 22 april 1895, Pas. 1985, I, 161; Cass. 8 november 1949, Pas. 1950, I, 139; Cass. 18 oktober 1956, Pas. 1957, I, 155; Cass; 14 april 1964, RW 1964, 772.

[2] M. DE JONCKHEERE, “Gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing: zegen, vloek … of gebakken lucht?”, LRB 2018, nr. 3, 12.

[3] Zie artikel 9 van het Decreet van 9 november 2012 houdende diverse bepalingen betreffende financiën en begroting (BS 26 november 2012). Het gaat om volgend adres: Vlaamse Belastingdienst, Onroerende Voorheffing, Postsite, Vaartstraat 16, 9300 Aalst.

[4] Nieuwsbriefbericht ABB dd. 20 april 2020.

[5] Meer bepaald werd aan artikel 41, tweede lid, 14° van het Decreet van 22 december 2017 (‘Decreet Lokaal Bestuur’), dat stelt dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de gemeentebelastingen en het vaststellen van de machtiging tot het heffen van de retributies en de voorwaarden ervan niet aan het college van burgemeester en schepenen kan toevertrouwd worden, toegevoegd dat dit ook het bepalen van verminderingen en vrijstellingen inhoudt, of elke andere vorm van differentiatie met lagere tarieven van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing. Zie ook de Omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit. Zie hierover: B. ENGELEN, “Omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit (15 februari 2019): een bondige samenvatting”, FinConnect, Vanden Broele, verschenen op 27 maart 2019.

[6] S. JANSSENS, “Welke koers vaart de onroerende voorheffing in 2019, in L. MAES & H. DE CNIJF (eds.), Fiscaal Praktijkboek Directe Belastingen 2019-2020: Fiscale nieuwigheden praktisch bekeken, Kluwer, Mechelen, 2019, 320.

[7] M. DE JONCKHEERE, “Gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing: zegen, vloek … of gebakken lucht?”, LRB 2018, nr. 3, 23.

[8] S. JANSSENS, “Welke koers vaart de onroerende voorheffing in 2019, in L. MAES & H. DE CNIJF (eds.), Fiscaal Praktijkboek Directe Belastingen 2019-2020: Fiscale nieuwigheden praktisch bekeken, Kluwer, Mechelen, 2019, 321.

[9] Zie ook het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen, de wijziging van diverse bepalingen van het besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013 en de heffing op directe lijnen, BS 19 december 2018. Meer specifiek gaat het om artikel 9 van dit Besluit.

[10] Parl. St. Vlaams Parlement 2017-18, nr. 1460/001, 2 e.v.

[11] J. VAN DYCK, “Differentiatie opcentiemen OV: Gistel en Sint-Pieters-Leeuw bijten spits af”, Fiscoloog nr. 1647, 1.

[12] Parl. St. Vlaams Parlement 2017-18, nr. 1460/001, 2.

[13] Lees: de Vlaamse Belastingdienst.

[14] Conform artikel 3.1.0.0.6 Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit.

[15] Deze criteria zijn ofwel criteria afkomstig uit een lijst van criteria die beschikbaar zijn bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en die de Vlaamse belastingdienst kan toepassen; ofwel criteria die de gemeente of stad zelf kiest waarbij ze dan wel een overzicht moet gegeven van de perceelcodes van de onroerende goederen waarvoor de vrijstellingen, verminderingen of differentiatie zouden moeten worden toegepast; ofwel criteria op basis van een open categorie die de gemeente of stad zelf vooropstelt. Zie ook S. JANSSENS, “Welke koers vaart de onroerende voorheffing in 2019, in L. MAES & H. DE CNIJF (eds.), Fiscaal Praktijkboek Directe Belastingen 2019-2020: Fiscale nieuwigheden praktisch bekeken, Kluwer, Mechelen, 2019, 322.

[16] Parl. St. Vlaams Parlement 2017-18, nr. 1460/001, 5.

[17] S. JANSSENS, “Welke koers vaart de onroerende voorheffing in 2019, in L. MAES & H. DE CNIJF (eds.), Fiscaal Praktijkboek Directe Belastingen 2019-2020: Fiscale nieuwigheden praktisch bekeken, Kluwer, Mechelen, 2019, 323.

[18] Parl. St. Vlaams Parlement 2017-18, nr. 1460/001, 6. Zie ook T. BONNE, S. KEUNEN & K. WAUTERS, “Vlaams Gewest sleutelt aan opcentiemen op de onroerende voorheffing”, De Juristenkrant 2018/372, 4.

[19] S. JANSSENS, “Welke koers vaart de onroerende voorheffing in 2019, in L. MAES & H. DE CNIJF (eds.), Fiscaal Praktijkboek Directe Belastingen 2019-2020: Fiscale nieuwigheden praktisch bekeken, Kluwer, Mechelen, 2019, 321. Zie ook M. DE JONCKHEERE, “Gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing: zegen, vloek … of gebakken lucht?”, LRB 2018, nr. 3, 9.

[20] Parl. St. Vlaams Parlement 2017-18, nr. 1460/001, 6. Op dit gegeven kwam kritiek vanuit de rechtsleer, aangezien de Vlaamse belastingdienst niet direct vertrouw is met een contentieux waarin het gaat om schendingen van het gelijkheidsbeginsel en met de onwettigheid van de belastingnorm zelf. Zie M. DE JONCKHEERE, “Gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing: zegen, vloek … of gebakken lucht?”, LRB 2018, nr. 3, 25.

[21] Raadpleegbaar via volgende URL: https://www.sint-pieters-leeuw.be/sites/default/files/GR20191219-039-opcentiemen-onroerende-voorheffing.pdf. Zie artikel 1 van het belastingreglement waarin de tarieven worden aangehaald.

[22] Raadpleegbaar via volgende URL:

https://www.gistel.be/File/Download/4396/03504AE7215D7C2421391F15338A0C80. Zie artikel 1 van het belastingreglement waarin de tarieven worden aangehaald.

[23] Zie M. DE JONCKHEERE, “Gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing: zegen, vloek … of gebakken lucht?”, LRB 2018, nr. 3, 12-13, 20, 27. Zie ook J. VAN DYCK, “Differentiatie opcentiemen OV: Gistel en Sint-Pieters-Leeuw bijten spits af”, Fiscoloog nr. 1647, 1.

[24] M. DE JONCKHEERE, “Gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing: zegen, vloek … of gebakken lucht?”, LRB 2018, nr. 3, 28.

[25] J. VAN DYCK, “Differentiatie opcentiemen OV: Gistel en Sint-Pieters-Leeuw bijten spits af”, Fiscoloog nr. 1647, 1.

[26] Parl. St. Vlaams Parlement 2017-18, nr. 1460/002, 10.

[27] M. DE JONCKHEERE, “Gedifferentieerde opcentiemen op de onroerende voorheffing: zegen, vloek … of gebakken lucht?”, LRB 2018, nr. 3, 11, 27.

2020-04-25T12:15:39+00:00 26 april 2020|Categories: Directe belastingen|Tags: , |