>>>De nieuwe antimisbruikbepaling: timing telt (dan toch)! (Sherpa Law)

De nieuwe antimisbruikbepaling: timing telt (dan toch)! (Sherpa Law)

Auteurs: Alain Claes en Kim Roelants (Sherpa Law)

Publicatiedatum: 05/12/2019

Hoewel de nieuwe antimisbruikbepaling soms een machtig wapen kan zijn voor de fiscus, toont de recente rechtspraak aan dat de fiscus toch geen carte blanche krijgt wat de temporele toepassing betreft. Deze positieve kentering in de (lagere) rechtspraak is inmiddels ook bevestigd door het Hof van Beroep te Gent. Reden genoeg voor een vermelding in onze nieuwsbrief.

WAT IS DE CONTEXT?

De fiscus heeft al geruime tijd de aanval geopend op de techniek die erop gericht is om gereserveerde winsten van exploitatievennootschappen belastingvrij uit te keren aan de uiteindelijke aandeelhouders. De techniek bestaat in de inbreng van de aandelen van één of meerdere exploitatievennootschappen in een holdingvennootschap, het opstromen van de liquiditeiten van de exploitatievennootschap(pen) naar de holdingvennootschap en uiteindelijk een kapitaalvermindering voor deze laatste.

Hoewel het door de inbreng ontstane kapitaal ontegensprekelijk werkelijk gestort kapitaal betreft (aangezien het een externe inbreng in natura betreft) is de administratie traditioneel wantrouwend ten opzichte van een inbrengverrichting die gevolgd wordt door een kapitaalvermindering (zelfs indien deze jaren later plaatsvindt). Middels de inbreng van aandelen – aan werkelijke waarde- van bestaande vennootschappen in een nieuwe of bestaande vennootschap, ontstaat bij deze laatste immers een zogenaamde “step up” van het werkelijk gestort kapitaal, dat later belastingvrij uitgekeerd kan worden aan de aandeelhouders.

Waar de fiscus zich aanvankelijk focuste op de inbrengverrichting en de gerealiseerde meerwaarde probeerde te belasten als divers inkomen, werd naar aanleiding van de invoering van de nieuwe antimisbruikbepaling deze focus verlegd naar de kapitaalvermindering.

De nieuwe antimisbruikbepaling (artikel 344, §1 WIB 1992) laat toe om de kapitaalvermindering te herkwalificeren en te belasten als uitgekeerd dividend indien blijkt dat het geheel van de verrichtingen (inbreng van aandelen van de exploitatievennootschap(pen), gevolgd door een opstroom van dividenden en uiteindelijke een kapitaalvermindering), eenzelfde doel nastreefde (“eenheid van opzet”), zijnde een belastingvrije uitkering van liquiditeiten naar de aandeelhouders. De fiscus kan de antimisbruikbepaling dus niet enkel op één rechtshandeling toepassen, maar ook op een geheel van rechtshandelingen.

Artikel 169 van de programmawet van 29 maart 2012 bepaalt dat de nieuwe bepaling van toepassing is op rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die zijn gesteld vanaf aanslagjaar 2013 of – in het geval van een gebroken boekjaar – tijdens het belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 6 april 2012 (d.i. de datum van bekendmaking van de Programmawet) afsluit en verbonden is aan het aanslagjaar 2012.

VAN EEN RETROACTIEVE TOEPASSING VAN DE NIEUWE ANTIMISBRUIKBEPALING

De vraag die de laatste tijd meer en meer aan bod komt in de rechtspraak, is of de nieuwe antimisbruikbepaling ook kan worden toegepast indien de fiscus een geheel van rechtshandelingen viseert die deels gesteld zijn vóór de inwerkingtreding van het nieuw artikel 344, §1 WIB 1992 en deels erna.

Volgens de administratie kan de nieuwe bepaling toegepast worden op een geheel van rechtshandelingen, indien de laatste handeling werd gesteld na deze inwerkingtreding (Circ. AFZ nr. 3/2012, 4 mei 2012). De fiscus ziet er dus geen graten in om het nieuwe artikel 344, §1 WIB 1992 toe te passen, zelfs indien de inbreng van de aandelen vele jaren vóór de inwerkingtreding plaatsvond. Volgens de fiscus is enkel het ogenblik van de laatste rechtshandeling determinerend.

Hoewel dit standpunt van de administratie op hevige kritiek stuitte in de rechtsleer, vond het niettemin navolging in de eerste, weliswaar summier gemotiveerde, rechtspraak. De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen oordeelde op 29 oktober 2018 in haar klassieke beknopte stijl dat het geheel van rechtshandelingen niet volledig nà de inwerkingtreding hoeft te liggen. Volgens de rechtbank is het noodzakelijk, doch ook voldoende dat het geheel van rechtshandelingen nà de inwerkingtreding van het nieuwe artikel werd voltooid.

Ook de rechtbank van eerste aanleg te Brugge oordeelde op 19 februari en 3 oktober 2018 dat het nieuwe artikel 344, §1 WIB 1992 kan toegepast worden indien de laatste rechtshandeling (de kapitaalvermindering) werd doorgevoerd na de inwerkingtreding (Rb. West-Vlaanderen (afd. Brugge) 3 oktober 2018, www.monKEY.be).

…NAAR EEN VOORZIENBARE TOEPASSING VAN DE NIEUWE ANTIMISBRUIKBEPALING.

Begin dit jaar heeft de rechtbank van eerste aanleg te Gent – gelukkig – een ander standpunt ingenomen met betrekking tot de temporele toepassing van artikel 344, §1 WIB 1992. Volgens de rechtbank kan de gewijzigde antimisbruikbepaling geen uitwerking hebben op rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen waarvan sommigen hebben plaats gevonden vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling.

Op het ogenblik dat de eerste rechtshandelingen uit de keten werden gesteld, kon de belastingplichtige de toekomstige antimisbruikbepaling niet kennen en kon hij zich er niet naar schikken. De rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die gesteld werden toen de oude bepaling nog van kracht was, moeten enkel de toets van de oude algemene antimisbruikbepaling doorstaan, aldus de rechtbank. Er anders over oordelen zou naar het oordeel van de rechtbank op een onevenredige wijze afbreuk doen aan het principe van de voorzienbaarheid. De belastingplichtige kon op het ogenblik van het stellen van de (eerste) handelingen, de gevolgen hiervan niet voorzien (indien de antimisbruikbepaling toch van toepassing zou zijn).

Dit vonnis kan alleen maar toegejuicht worden gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en het vereiste van voorzienbaarheid van de fiscale wet.

In twee arresten van 3 december 2019 bevestigt het Hof van Beroep te Gent nu nogmaals deze benadering van lagere rechtspraak. Uit voormeld artikel 169 volgt dat de toepassing van artikel 344, §1 WIB92 afhankelijk is van de datum waarop ‘rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen’ zijn gesteld. De rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen moeten zijn gesteld vanaf het aanslagjaar 2013 voor belastingplichtigen die belastbaar zijn in de personenbelasting. Door te bepalen dat het geheel van rechtshandelingen zijn gesteld vanaf het in voormeld artikel 169 bedoelde belastbaar tijdperk, vereist de wetgever dat alle rechtshandelingen die als geheel eenzelfde verrichting tot stand brengt binnen het temporeel toepassingsgebied vallen van artikel 344, §1 WIB92. De lezing van de administratie dat, indien een geheel van rechtshandelingen wordt geviseerd, enkel de laatste van de rechtshandelingen moet zijn gesteld binnen het temporeel toepassingsgebied van artikel 344, §1 WIB92 vindt geen steun in de wet. Een overweging gemaakt tijdens het parlementair debat kan niet ingaan tegen de uitdrukkelijke tekst van de wet.

Enkel indien alle handelingen gesteld zijn vanaf aanslagjaar 2013 kan de nieuwe bepaling worden toegepast. Dit lijkt overigens ook niet meer dan rechtvaardig. Het is pas vanaf dat ogenblik dat de belastingplichtige met deze nieuwe benadering kan rekening houden.

Lees hier het originele artikel

2019-12-14T12:10:52+00:00 16 december 2019|Categories: Directe belastingen|Tags: , |