>>>Buitenlandse dividenden: The saga continues (Delboo)

Buitenlandse dividenden: The saga continues (Delboo)

Auteur: Delboo

Publicatiedatum: september 2020

In onze laatste nieuwsbrief bespraken we een recente interne instructie van de fiscus (lees hier). Het netto (in België) belastbaar bedrag van buitenlandse roerende inkomsten werd volgens die instructie op een voor de belastingplichtige nadelige manier berekend. Inmiddels is de fiscus afgestapt van die visie, zij het onder voorbehoud…

Waar hangt de klepel?

De Belgische staat heft in principe belastingen op het wereldwijde inkomen van alle Belgen. Daaronder vallen ook de roerende inkomsten, zoals dividenden en interesten. Wanneer deze inkomsten uitgekeerd worden door een Belgische bankinstelling of een Belgische tussenpersoon, zal de bank of tussenpersoon roerende voorheffing (30%) inhouden. Deze roerende voorheffing werkt bevrijdend. De inkomsten moeten dus niet meer aangegeven worden door de belastingplichtige in zijn/haar aangifte personenbelasting.

Anders is het wanneer men rechtstreeks vanuit het buitenland dividenden of interesten verwerft. We denken bijvoorbeeld aan een effectenrekening die wordt aangehouden bij een buitenlandse bank. Omdat deze buitenlandse bank geen Belgische roerende voorheffing inhoudt, geldt er een aangifteplicht in België. Deze buitenlandse inkomsten moeten wel opgenomen worden in de aangifte personenbelasting, en dit ten belope van het nettobedrag.

Netto en netto zijn niet hetzelfde

Het in België belastbare gedeelte van de roerende inkomsten is gelijk aan het bruto ontvangen bedrag in voorkomend geval verminderd met de (lokale) bronbelasting die in het buitenland ingehouden is. In de vorige nieuwsbrief gebruikten we het voorbeeld waar € 35 buitenlandse bronbelasting verschuldigd is op een dividend van € 100. De belastingplichtige moet het verschil, namelijk € 65, opnemen in zijn aangifte personenbelasting.

Een korte blik op de meeste dubbelbelastingverdragen die België heeft afgesloten met buitenlandse staten leert ons dat de belastingheffing van de buitenlandse bronstaat steevast beperkt wordt door deze verdragen, vaak tot 15%. In de praktijk heft de buitenlandse staat initieel een hogere bronbelasting, maar kan de belastingplichtige later teruggave vragen ten belope van het verschil tussen de werkelijk ingehouden belasting en de maximale bronbelasting zoals voorzien in het desbetreffende dubbelbelastingverdrag. De procedure om teruggave te verkrijgen is vaak kostelijk en zeer formalistisch.

Weinig belastingplichtigen maken dan ook gebruik van de mogelijkheid om teruggave te vragen. Zij betalen dan Belgische personenbelasting op het brutobedrag van de inkomsten, verminderd met de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting.

In een omstreden interne instructie gaf de fiscus haar ambtenaren de richtlijn mee om bij de berekening van netto belastbare roerende inkomsten niet de volledige bronbelasting in mindering te brengen, maar slechts rekening te houden met de verminderde bronbelasting waarin een dubbelbelastingverdrag voorziet, ongeacht of de belastingplichtige zich al dan niet op de verdragsvermindering beroept. Het resultaat is dat de netto belastbare grondslag in België en dus ook de te betalen belastingen een stuk hoger liggen dan de inkomsten die de belastingplichtige werkelijk verkrijgt.

De verwerpelijkheid van deze instructie werd reeds uitvoerig in onze vorige nieuwsbrief toegelicht.

Instructie ingetrokken

De felle kritiek die deze instructie teweeg bracht, heeft de fiscus duidelijk niet onbewogen gelaten. Een recente circulaire (Circ. 2020/C/96 van 9 juli 2020 betreffende buitenlandse roerende inkomsten) komt terug op de interne instructie en stelt dat er wel degelijk rekening moet worden gehouden met de buitenlandse belasting die (werkelijk) in mindering is gebracht van de roerende inkomsten om het netto (in België) belastbare bedrag te bepalen.

Daarbij moet wel een belangrijk voorbehoud gemaakt worden. Naar aanleiding van de bovenstaande problematiek lijken verdere verduidelijkingen nodig te zijn om het belastbaar inkomen van roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong te bepalen, zo stelt de circulaire. Het valt dus te verwachten dat de fiscus nog een vervolg zal breien aan dit verhaal, waarin misschien opnieuw een voor de belastingplichtige nadelig standpunt geopperd zal worden.

Eén ding staat vast: in afwachting daarvan mag men nog steeds de buitenlandse bronbelasting in mindering brengen van de belastbare roerende inkomsten.

Lees hier het originele artikel

2020-09-22T12:31:08+00:00 22 september 2020|Categories: Directe belastingen|Tags: , , |