>>>De langverwachte circulaire voor de forfaitaire waardering gratis woonst : niets nieuws onder de zon! (Tiberghien)

De langverwachte circulaire voor de forfaitaire waardering gratis woonst : niets nieuws onder de zon! (Tiberghien)

Auteurs: Ellen Vandingenen en Ben Van Vlierden (Tiberghien)

Publicatiedatum: 17/05/2018

Op 15 mei ll. publiceerde de FOD Financiën haar Circulaire 2018/C/57 over de forfaitaire raming van de voordelen van alle aard voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning. Deze Circulaire geeft het standpunt weer van de fiscale administratie, gelet op de positieve wending voor de belastingplichtigen in de huidige rechtspraak.

Wat voorafging

In onze voorgaande nieuwsbrieven van 23 juni 2016 “Forfaitaire waardering gratis woonst naar prullenmand” en 23 maart 2018 “De kogel is door de kerk: forfaitaire waardering gratis woonst definitief naar de prullenmand!” werd de problematiek i.v.m. de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor het kosteloos ter beschikking stellen van een onroerend goed al uitvoerig aan de kaak gesteld.

De huidige rechtspraak oordeelt éénduidig dat deze forfaitaire waardering discriminerend is. Er bestaat nl. een onverantwoord verschil in behandeling tussen de terbeschikkingstelling van een woning door een natuurlijk persoon enerzijds, en door een rechtspersoon anderzijds. In concrete gevallen mocht het verhoogde forfait (met aldus de toepassing van de factor 1,25 of 3,8) niet meer worden toegepast. Het Hof van Beroep te Gent bevestigde als eerste beroepsrechter daarbij dat enkel nog de algemene forfaitaire waarderingsregel mag worden toegepast die het voordeel bepaalt op 100/60 van het geïndexeerd KI van de woning. De waardering op basis van de werkelijke (huur)waarde cf. artikel 36, §1 WIB92 – zoals nog verdedigd door de administratie – kan niet worden aanvaard.

Om de verschillende behandeling tussen de terbeschikkingstelling van een woning door ofwel een natuurlijke persoon ofwel een rechtspersoon weg te werken, moet volgens de Circulaire nu artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB92 aangepast worden – weliswaar alleen voor de toekomst.

Circulaire 2018/C/57 voor het verleden

Er werd gemeld dat belastingplichtigen die het voordeel hadden aangegeven op basis van de forfaitaire waardering mét factor 1,25 of 3,8, en bijgevolg reeds een aanslag ontvingen, beschikken over de mogelijkheden om een gemotiveerd bezwaar in te dienen cf. artikel 366 juncto artikel 371 WIB92, dan wel een verzoek tot ambtshalve ontheffing cf. artikel 376, §1 WIB92 in te dienen.

De Circulaire bevestigt nu dat de fiscale administratie akkoord kan gaan met de bezwaarschriften en de rechtsprocedures waarbij de berekening van het voordeel van alle aard zal gebeuren op basis van artikel 18, §3, punt 2, eerste lid KB/WIB92 (dus zonder toepassing van een verhogende factor), en dit ongeacht de persoon die het onroerend goed ter beschikking stelt (nl. een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon).

Wat betreft de verzoeken tot ambtshalve ontheffing cf. artikel 376, §1 WIB92 stelt de Circulaire echter dat deze vragen moeten afgewezen worden “om reden dat niet voldaan is aan de voorwaarden voorzien in artikel 376, §1 en §2, WIB 92. Art. 376, §2, WIB 92 bepaalt immers dat een wijziging in de jurisprudentie niet als nieuw gegeven wordt beschouwd [met verwijzing naar een nog niet-gepubliceerd vonnis van 7 februari 2018 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 17/2259/A]”.

Het voorgaande brengt weliswaar niets nieuws onder de zon. Artikel 376, §2 WIB92 stelt immers uitdrukkelijk dat een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie niet wordt beschouwd als een “nieuw feit”.

De Circulaire doet echter geen uitspraak over de vraag of een verzoek tot ambtshalve ontheffing op basis van een “nieuw feit” al dan niet kan worden overwogen, gelet op de verklaring van de Minister van Financiën Van Overtveldt in de media (De Tijd, 7 maart 2018) om de discriminatie definitief ongedaan te maken: “Daardoor worden bedrijfsleiders terug op een realistisch voordeel belast in plaats van op een doorgaans veel te hoog voordeel”. Een arrest van het Grondwettelijk Hof na een prejudiciële vraag kwalificeert onbetwist als een “nieuw feit”, aangezien het Hof uitspraak doet over de geldigheid van een rechtsnorm en niet over de loutere interpretatie ervan. Eenzelfde redenering zou kunnen worden gevolgd voor de uitspraken van de Hoven van Beroep te Gent op 24 mei 2016 en 20 februari 2018 en te Antwerpen op 24 januari 2017 die beiden hebben geoordeeld over de rechtsgeldigheid van een KB, waarvan de toets aan het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel geen bevoegdheid is van het Grondwettelijk Hof doch wordt overgelaten aan de rechtbanken en hoven zelf op basis van artikel 159 G.W.

Voor een verzoek tot ambtshalve ontheffing moet de belastingplichtige de overbelasting kenbaar maken aan de administratie binnen 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting gevestigd werd. Aanslagen die gevestigd zijn in 2014 en later zouden hiervoor dus nog in aanmerking kunnen komen.

Voor de fiches 281.50 voor het inkomstenjaar 2017 – die uiterlijk 30 juni 2018 dienen te worden ingediend – moet het voordeel van alle aard dus berekend worden volgens de gunstige formule: geïndexeerd KI x 100/60. De factor 1,25 of 3,8 dient men niet meer toe te passen. Dit werd ook bevestigd door de Minister van Financiën op een parlementaire vraag van 25 april 2018 (cf. infra).

Quid toekomst?

De Circulaire geeft aan dat haar bepalingen van toepassing zijn in alle stadia van de procedure en tot de nieuwe bepalingen van artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB92 in werking treden. Wanneer deze wijziging mag worden verwacht, is nog koffiedik kijken volgens de Circulaire: “Momenteel wordt bekeken hoe dat best kan gebeuren”.

Ook de Minister van Financiën kondigt een wijziging aan in zijn antwoord op een parlementaire vraag van 25 april 2018: “Om evenwel een einde te maken aan de schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals dat thans is voorzien in artikel 18 van [KB/]WIB92, zal er, zodra de administratie klaar is met het volledige juridische en budgettaire onderzoek, een concreet voorstel tot definitieve oplossing bij de regering worden ingediend” (Mond. Vr. nr. 25058, P. Vanvelthoven, 25 april 2018, Kamercomm. Financiën, Criv 54 Com 878, 38). Eerder werd op de Ministerraad van 30 maart 2018 aangekondigd dat de opdracht werd gegeven om de waardering van dit voordeel van alle aard voor woningen te analyseren zodat de huidige discriminatie zal worden weggewerkt, maar waarbij de waardering dichter zal aansluiten bij de marktprijs.

Wij zijn benieuwd wat de toekomst in petto heeft.

Lees hier het originele artikel

2018-05-22T07:24:53+00:00 22 mei 2018|Categories: Directe belastingen - Fiscaal recht|Tags: , , |