>>>Aftrekbaarheid van kosten bedrijfswoning & bezoldigingstheorie: de slinger slaat (eindelijk) terug in de juiste richting! (Lamote Stragier Advocaten)

Aftrekbaarheid van kosten bedrijfswoning & bezoldigingstheorie: de slinger slaat (eindelijk) terug in de juiste richting! (Lamote Stragier Advocaten)

Auteur: Stijn Lamote (Lamote Stragier Advocaten)

Publicatiedatum: 04/04/2019

De fiscale praktijk wordt al te vaak geconfronteerd met de nefaste gevolgen van (voor belastingplichtigen) recente, negatieve rechtspraak over de aftrekbaarheid van kosten van vastgoed in de vennootschap, wanneer dit vastgoed door de vennootschap als bezoldiging in natura wordt ter beschikking gesteld aan de zaakvoerder.

Die rechtspraak verwijst naar artikel 49 WIB 92 dat stelt dat een kost maar aftrekbaar is als deze wordt gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen. Indien een vennootschap een vastgoed ter beschikking stelt zonder huurinkomen, zo stelt deze rechtspraak, dan is er geen return en kunnen de kosten in verband met dit vastgoed (afschrijvingen, financieringskosten, onderhoudskosten, …) niet in aftrek worden gebracht. Niet correct, stelden de belastingplichtigen: er is wel een return. Het vastgoed wordt immers als bezoldiging ter beschikking gesteld aan de zaakvoerder, in ruil voor zijn prestaties en de daaruit voortvloeiende (voor de vennootschap belastbare) omzet. Net zoals de loonkost verbonden aan iedere bezoldiging, is ook de loonkost met betrekking tot het ter beschikking gestelde vastgoed (voornoemde afschrijvingen, financieringskosten, onderhoudskosten, …) aftrekbaar. Dit is de zogenaamde bezoldigingstheorie.

Deze rechtspraak heeft, wat er ook gezegd en geschreven werd, de bezoldigingstheorie nooit afgeschaft. Ze heeft enkel de bewijslast ter zake verzwaard. Waar het vroeger volstond aan te tonen dat de zaakvoerder het voordeel uit de ter beschikkingstelling had aangegeven in de personenbelasting, moet men nu aantonen dat er een band is tussen de kosten van het voordeel enerzijds en de door de zaakvoerder geleverde prestaties en het daaraan gerelateerd inkomen voor de vennootschap anderzijds. En met dat bewijs kan niet al te laks (meer) omgesprongen worden. In de praktijk kwamen daarbij voor de rechtbanken vooral zaken aan bod waarin die bewijslast niet naar behoren kon worden ingevuld, met alle gevolgen van dien.

De fiscale administratie interpreteert deze rechtspraak al te vaak en verkeerdelijk als een afschaffing van de bezoldigingstheorie, los van de concrete invulling van de bewijslast. Vanuit bepaalde controlekantoren worden kosten met betrekking tot vastgoed dat als loon in natura wordt ter beschikking gesteld zonder veel discussie verworpen, ook al kan een belastingplichtige aantonen dat het bewijs in het kader van de bezoldigingstheorie wel vervuld is.

In een (nochtans negatief) arrest van het Hof van Beroep van Gent (Gent, 10 april 2018) had het Hof al eerder gesteld dat de bezoldigingstheorie niet afgeschaft is, enkel dat de invulling meer zorgvuldigheid vergt. Dit arrest kan de fiscus niet (altijd) overtuigen, omdat zij ten onrechte focust op de einduitspraak in de betrokken zaak en niet op de door het Hof weerhouden, interessante overwegingen.

In een zeer recent (voor de belastingplichtigen positief) arrest van hetzelfde Hof (Gent, 19 maart 2019) herhaalt het Hof nu deze principes. De bezoldigingstheorie bestaat nog, mits een correcte invulling van de bewijslast. De betrokken belastingplichtige kon hier wel duidelijk een link maken tussen de kosten (van het voordeel) enerzijds en de door tussenkomst van de zaakvoerder bij de vennootschap gerealiseerde inkomsten en daaraan logisch te koppelen vergoeding anderzijds. Het Hof vernietigt de taxatie waar deze de kosten had verworpen. Het ging om een managementvennootschap, bestuurd door één zaakvoerder die integraal instond voor een (in vergelijking met de kosten) substantiële omzet, en in ruil (als verloning in natura) een vastgoed ter beschikking kreeg. Het Hof bevestigt ook dat de fiscus zich niet mag inlaten met de hoogte van de vergoedingen, nu dit een verboden opportuniteitsbeoordeling is.

Onze overtuiging is altijd geweest dat kosten met betrekking tot door een vennootschap aan de zaakvoerder ter beschikking gestelde onroerende goederen aftrekbaar zijn, mits de bewijslast volgens de regels van de (moderne) kunst worden ingevuld. De notulen van de vennootschap die de loonkost van de bezoldiging (met inbegrip van de bezoldiging in natura) beschrijft en evalueert tegenover de prestaties van de zaakvoerder en daaraan gekoppelde de winst(potentie) voor de vennootschap zijn daarbij van doorslaggevend belang.

Met deze game changer van het Hof van Beroep van Gent weten we dit andermaal bevestigd. Reden genoeg om zich verder te verzetten tegen de vaak ongenuanceerde standpunten van de fiscus in de praktijk …

Wij staan te uwer beschikking, zowel bij het documenteren van de bezoldigingstheorie bij opstart van het vastgoedproject als bij het verdedigen van de aftrekbaarheid naar aanleiding van fiscale controle en/of betwisting.

Lees hier het originele artikel