>>>Wanneer verjaart uw aansprakelijkheid? Een aantal relevante Cassatie-arresten onder de loep (LegalNews.be)

Wanneer verjaart uw aansprakelijkheid? Een aantal relevante Cassatie-arresten onder de loep (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 25/05/2019

Op donderdag 4 juli 2019 spreken Prof. dr. Ignace Claeys (hoofddocent Universiteit Gent en advocaat-vennoot Eubelius) en dr. Thijs Tanghe (advocaat Eubelius) over ‘Verjaring en aansprakelijkheid’ tijdens de Zomercademie Larcier. Hun uiteenzetting is gebaseerd op enerzijds een uitgebreid onderzoek van de rechtspraak inzake bevrijdende verjaring over de periode 1992-2017 door Prof. dr. Ignace Claeys en een recent artikel van dr. Thijs Tanghe over verjaring van buitencontractuele rechtsvorderingen tot schadevergoeding wegens kartelinbreuken.

In deze bijdrage overlopen we een aantal relevante Cassatie-arresten.

Aannemingsovereenkomst. Tienjarige aansprakelijkheid van architect en aannemer. Termijn voor het instellen van de rechtsvordering. Aard van de termijn (Cassatie 3 januari 2019)

Uit de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek, die de openbare orde raken, volgt dat de daarin bedoelde rechtsvordering, op straffe van verval, moet worden ingesteld binnen de termijn van tien jaar, die noch geschorst noch gestuit kan worden.

Lees hier het arrest

Overeenkomst tot reisorganisatie. Benadeelde. Eigen recht tegen de verzekeraar van de reisorganisatie. Verjaring. Termijn (Cassatie 28 mei 2018)

Artikel 88, §2, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen verstaat onder bijzondere wettelijke bepalingen de bepalingen die de verjaring van de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft, aan een andere termijn onderwerpen dan de termijn die dat artikel voorschrijft.

Artikel 30.1, eerste lid, van de wet van 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling, krachtens hetwelk de vorderingen waartoe een reiscontract waarop deze wet toepasselijk is, aanleiding kunnen geven, uit hoofde van het overlijden, de verwondingen of enige andere aantasting van de fysieke of geestelijke integriteit van een reiziger, na een termijn van twee jaar verjaren, onderwerpt de verjaring van de vordering die voortvloeit uit het eigen recht, dat de reiziger tegen de verzekeraar van de reisorganisatie of van de reisbemiddeling heeft, niet aan een andere termijn dan die van voornoemd artikel 88, §2.

Lees hier het arrest

Aansprakelijkheid buiten overeenkomst. Verzekeringsinstelling. Subrogatoire vordering. Verjaring. Aanvang (Cassatie 16 april 2018)

De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de indeplaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren. Daaruit volgt tevens dat voor de indeplaatsgestelde de verjaringstermijn van de vordering tegen de aansprakelijke aanvangt op het ogenblik waarop zij voor de benadeelde begint te lopen. Uit wat voorafgaat volgt dat de buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering die een indeplaatsgestelde verzekeringsinstelling tegen het Gewest instelt, verjaard is indien zij wordt ingesteld meer dan vijf jaar na de eerste januari van het jaar waarin de fout werd begaan, tenzij de rechthebbende slechts na het verstrijken van deze termijn kennis krijgt van de schade en de identiteit van de aansprakelijke. De omstandigheid dat de indeplaatsgestelde verzekeringsinstelling zelf pas kennis krijgt van de identiteit van de aansprakelijke na het verstrijken van deze termijn, doet niet ter zake.

Lees hier het arrest

Lees hier het artikel ‘Buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering en verjaring in het geval van subrogatie in de rechten van de benadeelde. Arrest Hof van Cassatie 16 april 2018‘

Aansprakelijkheid buiten overeenkomst. Vordering tot schadevergoeding. Vijfjarige verjaring. Aanvang. Kennis van de schade of van de verzwaring ervan. Begrip (Cassatie 13 oktober 2017)

De kennis van het bestaan van schade of van de verzwaring ervan impliceert niet de kennis van de omvang ervan. Het arrest, dat onderzoekt of de pauliaanse vordering van de verweersters tegen de akten van 12 november 1990 verjaard is krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, stelt dat “bepaald moet worden op welke datum de verweersters kennis hebben gekregen van hun schade. Pas na het arrest van 17 juni 2009 van het hof van beroep hebben de verweersters kennis gekregen van het bedrag van hun schade”. Op grond van die overwegingen verantwoordt het bestreden arrest niet naar recht zijn beslissing dat de pauliaanse vordering niet verjaard is.

Lees hier het arrest

Actio judicati. Verjaring. Termijn (Cassatie 7 april 2017)

Krachtens artikel 1251, 3°, Burgerlijk Wetboek geschiedt indeplaatsstelling van rechtswege ten voordele van hem die, met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen. Deze indeplaatsstelling geldt niet alleen ingeval de nagekomen verbintenis strekt tot de betaling van een geldsom, maar evenzeer wanneer het een verbintenis om iets te doen betreft.
Elk vonnis van veroordeling doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuitvoerlegging van de veroordeling. Deze rechtsvordering, actio judicati genoemd, verjaart overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek door verloop van tien jaren te rekenen vanaf het vonnis, onverminderd de toepassing van de in de wet van 10 juni 1998 bepaalde overgangsbepalingen. Het verhaal dat de wegens een misdrijf tot herstel veroordeelde op grond van artikel 1251, 3°, Burgerlijk Wetboek instelt tegen de hoofdelijk of in solidum veroordeelde mededader is een actio judicati. De omstandigheid dat het verhaal niet strekt tot de uitvoering van het herstel zelf, maar tot restitutie van een deel van de kosten gemaakt ter uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel, doet daaraan niet af.

Lees hier het arrest

Aanvangspunt vijfjarige verjaring. Rechtsvordering tot buitencontractuele aansprakelijkheid. Benadeelde. Beschikking over gegevens op grond waarvan een persoon aansprakelijk kan zijn (Cassatie 30 maart 2017)

Uit artikel 2262bis, §1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de verjaring pas ingaat wanneer de benadeelde over de gegevens beschikt op grond waarvan hij ervan kan uitgaan dat de persoon voor de schade aansprakelijk zou kunnen zijn wegens een fout of wegens een aansprakelijkheidsgrond.

Lees hier het arrest

Contractuele verplichting. Foutieve niet-uitvoering. Vordering tot vergoeding van schade. Aard. Verjaringstermijn (Cassatie 3 oktober 2016)

De vordering tot vergoeding van schade wegens niet-uitvoering of wanuitvoering van een contractuele verplichting is een persoonlijke vordering die krachtens artikel 2262bis, §1, Burgerlijk Wetboek door verloop van 10 jaar verjaart. De verjaring is een verweermiddel tegen een laattijdige vordering en kan bijgevolg niet ingaan voordat die vordering is ontstaan. De vordering waarmee een verbintenis wordt afgedwongen ontstaat in de regel op de dag dat die verbintenis moet worden uitgevoerd en verjaart bijgevolg vanaf dat tijdstip. Om die verjaringstermijn te doen ingaan is het niet noodzakelijk dat het slachtoffer kennis heeft van zijn schade en zelfs niet dat die schade, indien deze bestaat, zich uitwendig manifesteert.

Lees hier het arrest

Aanvang vijfjarige verjaring. Buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering. Benadeelde. Kennis van de schade en van de aansprakelijke persoon (Cassatie 5 september 2014)

De wetgever heeft als uitgangspunt van de vijfjarige verjaring van rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid de dag beoogd waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft van alle gegevens die nodig zijn om een aansprakelijkheidsvordering te kunnen instellen. De benadeelde moet werkelijk kennis hebben van de schade en van de identiteit van de persoon die aansprakelijk kan worden gesteld, hetgeen inhoudt dat de benadeelde in staat is een causaal verband te leggen tussen het schadeverwekkend feit en de schade. Hierbij is niet vereist dat de benadeelde kennis heeft van een zeker en vaststaand oorzakelijk verband.

Lees hier het arrest

Eigen rechtsvordering van de getroffene tegen de verzekeraar van de aansprakelijke. Verjaring. Stuiting van de verjaring (Cassatie 21 februari 2014)

Krachtens artikel 34, § 2, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Krachtens artikel 35, § 4, van die wet wordt de verjaring van de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke heeft gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te verkrijgen voor de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

Die bepaling legt geen enkel vormvereiste op voor de wijze waarop de verzekeraar kennis moet krijgen van de wil van de benadeelde om vergoed te worden.

Zij vereist uitsluitend dat de verzekeraar kennis moet krijgen van de wil van de benadeelde om vergoeding voor zijn schade te verkrijgen en impliceert niet dat die informatie van de benadeelde zelf komt. De verzekeraar kan ook worden ingelicht door de verzekerde die door de benadeelde is aangesproken.

Lees hier het arrest

Vennootschapsbestuurders. Aansprakelijkheid. Minimumkapitaal. Blijvend schuldig gedrag (Cassatie 17 januari 2014)

De bestuurders die niet ervoor gezorgd hebben het minimumkapitaal van een naamloze vennootschap vóór 1 juli 2001 aan te passen zijn hoofdelijk aansprakelijk vanaf dat tijdstip en herhalen hun schuldig gedrag elke dag waarop zij nalaten zich naar de wettelijke verplichting te schikken. Artikel 111 van de wet van 13 april 1995 bepaalt niet wanneer de verjaringstermijn ingaat, maar legt het tijdstip vast waarop het kapitaal van de naamloze vennootschappen aangepast moest zijn en het tijdstip vanaf wanneer de aansprakelijkheid van de bestuurders in het gedrang kan komen. De datum van 1 juli 2001 is niet zonder relevantie, zelfs in de onderstelling van het voortdurend karakter van de fout. De aan de bestuurders verweten fout is voortdurend, aangezien zij zich elke dag herhaalt waarop de vereiste aanpassing van het kapitaal niet gebeurt. De overwegingen die [de eisers] aan het strafrecht ontlenen, evenals de afwezigheid van een strafsanctie voor het aangevoerde verzuim, doen dienaangaande niet ter zake. De eisers beweren tevergeefs dat de ratio legis van de korte vijfjarige verjaringstermijn van artikel 198 van het Wetboek van vennootschappen impliceert dat het hun verweten verzuim moet worden beschouwd als een ogenblikkelijke overtreding, omdat anders de eventuele verjaring ervan onbeperkt zou worden uitgesteld bij gebrek aan een beëindiging van het mandaat. Deze zienswijze volgen, zou erop neerkomen dat het beginsel van de voortdurende fout in elke hypothese wordt uitgesloten, wat geenszins kan worden aanvaard. Vervolgens wordt het beginpunt van de verjaringstermijn niet tot in het oneindige uitgesteld, aangezien het voldoende is dat het mandaat wordt beëindigd opdat de verjaringstermijn kan beginnen te lopen.

Lees hier het arrest

Zomeracademie Larcier – Aansprakelijkheid

2019-05-25T08:58:41+00:00 25 mei 2019|Categories: Burgerlijk recht - Verzekeringsrecht|Tags: , |