>, Burgerlijk recht, Verzekeringsrecht>De Wet Peeters-Ducarme: een nieuwe wettelijke verzekeringsplicht voor de architect – opletten voor eventuele extra uitsluitingen! (GSJ Advocaten)

De Wet Peeters-Ducarme: een nieuwe wettelijke verzekeringsplicht voor de architect – opletten voor eventuele extra uitsluitingen! (GSJ Advocaten)

Auteur: GSJ Advocaten

Publicatiedatum: 04/09/2019

Met de Wet van 9 mei 2019, de Wet Peeters-Ducarme, in werking getreden op 1 juli 2019, voerde de wetgever opnieuw een wettelijke, ruime verzekeringsplicht in voor de architect, eerder opgeheven met de Wet Peeters-Borsus.  Naast de architect worden ook alle andere intellectuele dienstverleners in het bouwproces verplicht zich nu te verzekeren.  Voornamelijk de uitgebreide lijst van toegelaten uitsluitingen baart zorgen.  In dit artikel wordt daarop verder ingegaan.

Voor de goede orde even in herinnering brengen waar we vandaan komen.  Met de Wet en het KB Laruelle werd destijds de verzekeringsplicht in hoofde van de architect, die reeds langer deontologisch bestond, wettelijk verankerd. Overeenkomstig de Wet en het KB Laruelle diende “de burgerlijke aansprakelijkheid voortvloeiend uit de activiteit van architect” verplicht verzekerd te zijn.  Deze verzekeringsplicht was aldus zeer ruim geformuleerd.  Onder “de burgerlijke aansprakelijkheid” valt immers in principe de decenale, de gewone contractuele, en de buitencontractuele aansprakelijkheid.  Art. 5 van het KB Laruelle bepaalde de toegelaten uitsluitingen.  Dit betroffen er slechts twee: schade ingevolge radioactiviteit en schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels ingevolge de blootstelling aan wettelijk verboden producten.

Het Grondwettelijk Hof bevond deze regeling discriminerend: enkel architecten dienden zich verplicht te verzekeren, aannemers niet.  Dit had vaak tot gevolg dat de architect – mogelijks oneigenlijk – in solidum werd veroordeeld met de aannemer, aangezien de architect, verzekerd zijnde, kennelijk een solvabele partij betrof.  De wetgever diende na het arrest van het Grondwettelijk Hof aldus in een oplossing te voorzien.

Met de Wet van 31 mei 2017, de Wet Peeters-Borsus, in werking getreden op 1 juli 2018, poogde de wetgever dit te remediëren.  Dit bleek evenwel maar half werk te zijn.  Met de Wet Peeters-Borsus werd een algemene verzekeringsplicht ingevoerd voor alle actoren in de bouwsector – dus eindelijk ook voor de aannemers –, doch – en dit is uiterst belangrijk – beperkt tot de decenale aansprakelijkheid in het kader van de woningbouw.  De gewone contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid vallen aldus buiten de scope van de Wet Peeters-Borsus, alsook alle onroerende bouwwerken buiten particuliere woningbouw.  Het toepassingsgebied van de Wet Peeters-Borsus is op die wijze dus erg beperkt.  Tegelijkertijd werd wel het volledige art. 9 van de Wet van 20 februari 1939, m.b.t. de wettelijke verplichting tot verzekering van “de burgerlijke aansprakelijkheid” in hoofde van de architect, opgeheven.  Het spanningsveld is meteen duidelijk: de bestaande ruime wettelijke verzekeringsplicht werd integraal opgeheven, terwijl met de Wet Peeters-Borsus enkel een relatief beperkte verzekeringsplicht (enkel decenaal en louter woningbouw) werd ingevoerd.  Bovendien bleef de (ruime) deontologische verzekeringsplicht in hoofde van de architect onverkort overeind.

Aldus trad de wetgever – opnieuw – “reparerend” op, en zulks met de Wet Peeters-Ducarme, de Wet van 9 mei 2019, in werking getreden op 1 juli 2019.  Doelstelling van deze nieuwe wet is om de ruimere wettelijke verzekeringsplicht, zoals die gold onder de Wet en het KB Laruelle (toen enkel voor de architect), te herstellen en in één beweging uit te breiden naar alle intellectuele dienstverleners in de bouwsector (ook landmeter-experten, veiligheidscoördinatoren, andere dienstverleners (zoals bv. studiebureaus)).

Ook in deze Wet Peeters-Ducarme, net zoals onder de Wet en het KB Laruelle, is een lijst van toegelaten uitsluitingen voorzien, meer bepaald in art. 5 van de Wet.  Vaststelling is inderdaad dat de lijst van toegelaten uitsluitingen merkelijk ruimer is dan destijds in art. 5 van het KB Laruelle.  De eerste twee toegelaten uitsluitingen betreffen dezelfde: schade ingevolge radioactiviteit en ingevolge blootstelling aan wettelijk verboden producten.  Maar de lijst gaat dus verder dan dat.  En vooral punt 3° zou inderdaad  zorgen kunnen baren.  Kan worden uitgesloten: schade ten gevolge van de gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van contractuele verbintenissen.  De wetgever somt zelf drie mogelijke voorbeelden op:

  1. de gevolgen van het niet respecteren van een verplichting om eender welke verzekeringsovereenkomst af te sluiten of in stand te houden of om een borgstelling neer te leggen;
  2. de opgelopen vertraging in de uitvoering van een opdracht of een prestatie;
  3. de gemaakte kosten om een slecht uitgevoerde prestatie te herbeginnen of te verbeteren.

Teneinde enig inzicht te verwerven in de drijfveer van de wetgever om deze lijst uit te breiden in vergelijking met de toegelaten uitsluitingen onder de Wet en het KB Laruelle, dient de parlementaire voorbereiding van de Wet Peeters-Ducarme geraadpleegd te worden.  In het advies van de Raad van State wordt alleszins niet ingegaan op de lijst met uitsluitingen.  Daarin kan dus weinig verheldering worden gevonden.  We dienen het te stellen met de memorie van toelichting.  Als algemene verantwoording van de uitbreiding van de lijst met toegelaten uitsluitingen haalt de wetgever aan dat het toepassingsgebied van de Wet Peeters-Ducarme ruimer is dan de Wet en het KB Laruelle, in die zin dat er thans in tegenstelling tot vroeger vele andere beroepen worden geviseerd (wellicht doelt de wetgever hier op de vele andere intellectuele beroepen in het bouwgebeuren, die voorheen lang niet allemaal een verzekeringsplicht kenden en in wiens polispraktijk veel meer uitsluitingen voorzien waren).  Specifiek met betrekking tot de toegelaten uitsluiting van de schade ingevolge de gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van contractuele verbintenissen stelt de wetgever dat het de bedoeling is om contractuele beloften uit te sluiten van de verzekeringsdekking.  De verzekerde dient de prestatie uit te voeren waartoe hij zich verbonden heeft.  Anders zou het te gemakkelijk zijn voor de verzekerde om zich te verbinden tot het doen van iets waarvan hij volstrekt weet dat hij het niet zal uitvoeren, rekenend op de verzekeringsonderneming om het in zijn plaats te doen uitvoeren, aldus de wetgever.  De wetgever wil hiermee voornamelijk misbruik voorkomen.  Slecht werk, en dan voornamelijk slecht werk met voorbedachten rade, kan uitgesloten worden van de verzekeringsdekking.  Tegelijkertijd stelt de wetgever dat de gevolgen van een vergissing gedekt zijn door de verzekeringsovereenkomst.  De gewone fouten in de uitvoering van prestaties waartoe men zich verbonden heeft dienen dus wel verzekerd te zijn, dat is althans het oogmerk.  De wetgever geeft zelfs enkele voorbeelden: de vergissing in opmeting door een landmeter-expert (foutieve berekening van de omvang van een perceel) is gedekt; de vergissing in de berekening van een EPC-waarde is gedekt; de vergissing in het ontwerp van een studiebureau betreffende de verwarming, de ventilatie of de AC is gedekt.

Meer zegt de wetgever zelf niet over art. 5 m.b.t. de toegelaten uitsluitingen…  Bovendien wordt de Koning (de regering) door art. 5 zelf nog gemachtigd om andere uitsluitingen toe te laten.  Voorlopig is er geen KB in die zin.

De vraag zal zijn hoe de verzekeringssector hiermee zal omgaan.  Dit is voorlopig nog koffiedik kijken.  Op de website van nicheverzekeraar Protect is bijzonder weinig terug te vinden, althans voorlopig.  Op de website van nicheverzekeraar AR-CO, idem dito.  Wanneer bv. de algemene voorwaarden op de website van AR-CO worden geraadpleegd, is het meteen duidelijk dat er nog geen aanpassingen werden doorgevoerd.  De Wet Peeters-Ducarme is dan ook nog maar net in werking getreden op 1 juli 2019.

Het is mogelijk dat de verzekeringspolissen in de toekomst zullen worden aangepast, en dat er meerdere uitsluitingen zullen worden opgenomen.  Telkens zal dan moeten worden nagegaan of de specifieke libellering van die uitsluitingen in overeenstemming is met de Wet Peeters-Ducarme, en – mogelijks, zeker indien er discussie ontstaat n.a.v. een bepaald schadegeval – met de wil van de wetgever, waarvoor teruggegrepen kan worden naar de memorie van toelichting, die toch – enigszins – iets of wat geruststellender is dan de loutere tekst van de wet zelf.

Voorlopig besluit: het klopt dat de Wet Peeters-Ducarme veel meer uitsluitingen toelaat dan destijds onder gelding van de Wet en het KB Laruelle het geval was.  Anderzijds, specifiek m.b.t. punt 3° van de toegelaten uitsluitingen, is het kennelijk de bedoeling van de wetgever om voornamelijk onhaalbare contractuele beloften buiten de scope van de verzekeringsdekking te houden, en dit teneinde misbruik te voorkomen.  Loutere vergissingen in de uitvoering van prestaties waartoe men zich verbonden heeft dienen in principe wel verzekerd te zijn.  Hoe de verzekeringssector hiermee zal omgaan, zal moeten blijken in de toekomst.  Welke impact een en ander mogelijks zal hebben op de afhandeling van schadegevallen, zal ongetwijfeld en onvermijdelijk voer zijn voor hoven en rechtbanken.

Lees hier het originele artikel