>, Verkeersrecht, Verzekeringsrecht>Verkeersongeval met ongekende aansprakelijkheid van vóór 22 juni 2017? Vergis u niet : de zeer ruime vergoedingsregeling van (het opgeheven) art. 19bis-11,§2 WAM kan nog steeds een aardige slok op de borrel betekenen! (Charlier Advocaten)

Verkeersongeval met ongekende aansprakelijkheid van vóór 22 juni 2017? Vergis u niet : de zeer ruime vergoedingsregeling van (het opgeheven) art. 19bis-11,§2 WAM kan nog steeds een aardige slok op de borrel betekenen! (Charlier Advocaten)

Auteurs: Stéphane Vereecken en Lize Schoonbaert (advocaten Charlier advocaten)

Publicatiedatum: 10/04/2019

Rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof is duidelijk

Het Hof van Cassatie én het Grondwettelijk Hof bevestigden nog recent nog dat, hoewel art. 19bis-11, §2 WAM opgeheven werd en de regeling bij ongekende aansprakelijkheid nu te lezen staat in art. 29ter WAM, art. 19bis-11, §2 WAM wel nog van toepassing is op alle ongevallen die dateren van voor 22 juni 2017.

Voor die ongevallen zijn ook potentieel aansprakelijke bestuurders vergoedingsgerechtigd en komt ook de schade aan het eigen verzekerde voertuig van de verzekerde voor vergoeding in aanmerking.

Art. 19bis-11, §2 WAM biedt dus onverwachtse oplossingen voor schaderegelingen bij ongekende aansprakelijkheid !

Nieuw ingevoerd art. 29ter WAM is geen ‘interpretatieve wet’ en dat heeft heel wat gevolgen

Bij wet van 31 mei 2017 werd art. 19bis-11, §2 WAM weliswaar opgeheven en werd art. 29ter WAM ingevoerd, maar art. 29ter WAM is van toepassing op verkeersongevallen die zich hebben voorgedaan vanaf 22 juni 2017.

Art. 19bis-11, §2 WAM blijft dus van toepassing op heel wat verkeersongevallen van voor 22 juni 2017, ook al wordt vaak voorgehouden dat dit niet langer het geval zou zijn.

Het is intussen immers vaststaande rechtspraak van de hoogste gerechtshoven dat het nieuw ingevoerde art. 29ter WAM niet kan aanzien worden als een zogenaamde “interpretatieve wet”, wat betekent dat de nieuwe regeling vanaf de invoering ook van toepassing zou zijn op ongevallen die zich voordien hebben voorgedaan.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 26 april 2018 is duidelijk:

‘Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 mei 2017 blijkt dat de wetgever met de invoering van artikel 29ter WAM niet alleen de regeling vervat in artikel 19bis-11, § 2, WAM heeft willen verduidelijken maar de regeling ook nauwkeuriger heeft willen afstemmen op de oorspronkelijke bedoeling om enkel onschuldige slachtoffers van verkeersongevallen te vergoeden, de vergoedingsregeling heeft uitgebreid tot ongevallen waarbij gemotoriseerde voertuigen die aan spoorstaven gebonden zijn, betrokken zijn, de vergoedingsplicht heeft uitgebreid tot het Gemeenschappelijk Waarborgfonds in de aangeduide gevallen en heeft voorzien in hoofdelijkheid tussen de verzekeraars van de in het ongeval betrokken voertuigen. Hieruit volgt dat artikel 29ter WAM, zoals ingevoerd bij de voormelde wet van 31 mei 2017, voorziet in een aangepaste vergoedingsregel en bijgevolg geen interpretatieve wetsbepaling is.’

Dit scheelt (zie voorbeelden) een aardige slok op de borrel in schaderegeling. Man kan zeggen dat waar art. 19bis-11,§2 WAM in een zeer ruime vergoedingsregeling tegemoet komt aan de benadeelden, onder art. 29ter WAM slechts een zeer summiere speelruimte overblijft.

Voorbeeld 1

Voertuig A haalt voertuig B in net op het ogenblik dat voertuig B links afslaat en voertuig A rijdt voertuig B aan in de flank. Voertuig B moet bij het links afslaan onder meer zijn linker richtingaanwijzer doen branden en zich naar links begeven (art. 19.3.1 en 19.3.2 Wegcode).
Als deze formaliteiten vervuld waren, mocht voertuig A niet meer links inhalen, maar moest hij voertuig B langs rechts passeren (art. 16.3 Wegcode).

In de strafprocedure had de politierechtbank van Leuven op 3 november 2016 geoordeeld dat de inbreuken op de Wegcode bij het ongeval van 3 juli 2011 voor geen van beide bewezen waren. Omdat de aansprakelijkheid niet kon worden bepaald, leidden de bestuurders van voertuig A en B vervolgens een vordering op grond van art. 19bis-11, §2 WAM in tegen hun verzekeraars voor de burgerlijke sectie van de politierechtbank, die hen ook een schadevergoeding toekende.

De politierechtbank oordeelde voorafgaandelijk dat de vordering op grond van art. 19bis-11, §2 WAM niet verjaard is. De verjaringstermijn bedraagt in principe vijf jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.
De benadeelde bewijst evenwel dat hij pas op het ogenblik van het correctionele vonnis kennis had van het feit dat de aansprakelijkheid niet kon worden bepaald en art. 19bis-11, §2 WAM mogelijks van toepassing was. In dat geval begint de verjaringstermijn maar te lopen van het correctionele vonnis van 3 november 2016, zonder de termijn van tien jaar vanaf het schadegeval van 3 juli 2011 te overschrijden (art. 88, §2 W.Verz.). Gelet op deze verjaringstermijn zal art. 19bis-11, §2 WAM ook nog geruime tijd na de invoering van art. 29ter WAM doorgang vinden.

Voorbeeld 2

Een ander courant voorbeeld betreft een verkeersongeval op een kruispunt geregeld door verkeerslichten, waarbij twee voertuigen die uit kruisende straten komen, betrokken zijn. Beide partijen verklaren dat het verkeerslicht in hun richting op groen stond. Als uit het dossier niet kan worden opgemaakt wie met miskenning van het rode licht het kruispunt is opgereden en wie dus aansprakelijk is voor het ongeval (art. 61.1.1° Wegcode), moet art. 19bis-11, §2 WAM toegepast worden, zo oordeelde ook de politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, op 5 oktober 2018.

Dikwijls foute interpretatie/invulling van de toepassingsvoorwaarden

In een hele boel uitspraken werd voorgehouden dat de benadeelde zou moeten bewijzen “dat hij in ieder geval niet aansprakelijk is voor het verkeersongeval” opdat hij enige aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding onder art. 19bis-11, §2 WAM. Dit steunt o.i. op een foute interpretatie/invulling van de toepassingsvoorwaarden.

In het kader van art. 19bis-11, §2 WAM oordeelde het Hof van Cassatie intussen verschillende keren in duidelijke taal dat ook potentieel aansprakelijke bestuurders voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde moet daarbij niet bewijzen dat hij in ieder geval niet aansprakelijk is voor het verkeersongeval. Het volstaat dat niet kan worden vastgesteld wie de aansprakelijkheid draagt.

Onder art. 29ter WAM, worden de vergoedingsgerechtigden enger ingevuld. Art. 29ter WAM bepaalt dat “alle schade geleden door de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden, zijnde de personen op wie met zekerheid geen aansprakelijkheid rust” vergoed moet worden. De schadelijder die op grond van art. 29ter WAM schadevergoeding vordert, zal, naast de toepassingsvoorwaarden, dus wél moeten aantonen dat hij/zij met zekerheid geen aansprakelijkheid draagt en een zuiver onschuldig slachtoffer is.
Dit hebben we uitvoerig beschreven in ons artikel “De nieuwe schadevergoedingsregeling bij ongekende aansprakelijkheid: R.I.P. artikel 19bis-11, §2 WAM” (S. HEIRBRANT en S. VEREECKEN), in M. DAMBRE en P. LECOCQ (eds.), Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters, Brugge, Die Keure, 2018, (127) 135-136.

Concreet moeten de bestuurders van voertuig A en B uit het eerste voorbeeld respectievelijk aantonen dat ze alle voorschriften voor het inhalen of het links afslaan hebben nageleefd om een beroep te kunnen doen op art. 29ter WAM. Uiteraard moeten ze daarbij niet bewijzen wie wél aansprakelijk is, aangezien art. 29ter WAM net een regeling biedt wanneer het “niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt”. Art. 19bis-11, §2 WAM stelt die voorwaarde niet, waardoor de politierechtbank van Leuven beide bestuurders een vergoeding toekende.

Hetzelfde geldt voor de bestuurders in het tweede voorbeeld. Geen van beiden kan bewijzen dat hij/zij onder dekking van het groene licht het kruispunt is opgereden. Omdat ze niet kunnen aantonen dat ze een zuiver onschuldig slachtoffer zijn, zou hun schade niet vergoed worden onder art. 29ter WAM als het ongeval zich had voorgedaan na 22 juni 2017, maar het slachtoffer ontvangt wel vergoeding onder art. 19bis-11, §2 WAM bij een ongeval vóór die datum.

Ook voor voertuigschade is de datum van 22 juni 2017 belangrijk!

Onder art 19bis 11 §2 WAM kan integrale schadevergoeding worden gevorderd, dus zowel voor de geleden lichamelijke schade maar ook voor de materiële schade, zelfs deze aan het eigen verzekerde voertuig, zonder franchise! Voor ongevallen die dateren van voor 22 juni 2017 bevestigde het Grondwettelijk Hof op 6 december 2018 http://www.const-court.be/public/n/2018/2018-172n.pdf en http://www.const-court.be/public/n/2018/2018-173n.pdf tot tweemaal toe dat de schade aan de wagen vergoed moet worden, ook door de eigen verzekeraar.

Ook op dit vlak is art. 29ter WAM strikter: om een vergoeding ter krijgen voor zijn voertuigschade onder art. 29ter WAM zal de eigenaar niet alleen moeten aantonen dat hem zeker geen aansprakelijkheid treft, maar ook dat zijn voertuig “het verkeersongeval klaarblijkelijk niet heeft veroorzaakt”.

Slachtoffers worden dan wel verschillend behandeld naargelang ze betrokken zijn bij een verkeersongeval dat zich voordeed voor of na 22 juni 2017, toch oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het criterium van de datum van het ongeval een redelijke verantwoording biedt. Het is dus van cruciaal belang om de datum van het verkeersongeval in uw dossier na te gaan om vervolgens op basis hiervan de mogelijke toepassing van de vergoedingsregeling te beoordelen.

Op donderdagnamiddag 4 juli 2019 geeft mr. Stéphane Vereecken op de tweede dag van de Zomeracademie Larcier, die georganiseerd wordt in samenwerking met LegalNews.be, in Gent een uiteenzetting over ‘Verkeersrecht: actualia inzake verzekerings- en aansprakelijkheidsrecht’.

 

2019-06-22T14:28:32+00:00 10 april 2019|Categories: Burgerlijk recht - Verkeersrecht - Verzekeringsrecht|Tags: , , |