>>>Uitwinning van het bezitloos pand: Burgerlijk Wetboek gewijzigd (LegalNews.be)

Uitwinning van het bezitloos pand: Burgerlijk Wetboek gewijzigd (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 24/06/2019

De “Wet houdende diverse financiële bepalingen” van 2 mei 2019, gepubliceerd in het Staatsblad van 21 mei 2019, bevat een verduidelijking met betrekking tot de verplichte wachtperiode én een wijziging inzake de betwistingsmogelijkheden bij het uitwinnen van een bezitloos pand:

Bedoeling van de wetswijziging: zie vanaf pag. 64 van de Memorie van Toelichting

Veiligstelling van de verpande goederen totdat de uitwinning kan worden afgerond

De artikelen 48 en 49 van Boek III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek verplichten de pandhouder die tot uitwinning wenst over te gaan om daarvan kennis te geven aan de schuldenaar en aan de derde-pandgever en om vervolgens een wachtperiode te respecteren van ten minste tien dagen (deze periode wordt herleid tot drie dagen wanneer de verpande goederen vatbaar zijn voor bederf of onderhevig zijn aan snelle waardevermindering).

Enerzijds stelt deze wachtperiode de pandhouder bloot aan ernstige risico’s, in het bijzonder wanneer het pand zonder buitenbezitstelling werd gevestigd. Er valt namelijk te vrezen dat de schuldenaar of de derdepandgever, gealarmeerd door de kennisgeving, van de daaropvolgende wachtperiode gebruik zal maken om het verpande goed weg te maken of om er alsnog over te beschikken. Anderzijds is het van groot belang dat van zodra de uitwinning wordt aangevat, er zekerheid bestaat omtrent de actuele samenstelling van het pand.

Daarom werd voorgesteld om, naar analogie met de regeling die werd uitgewerkt in artikel 11 van de wet van 25 oktober 1919 (wet betreffende het in pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen), te bepalen dat de pandhouder gelijktijdig met de kennisgeving en zonder enige rechterlijke toelating via een gerechtsdeurwaarder een sui generis beslag kan leggen op de verpande goederen (anders dan onder de toepassing van de wet van 25 oktober 1919, hoeft dergelijk beslag dan niet te worden geldig verklaard door de rechter opdat tot uitwinning zou kunnen worden overgegaan). Volgens een bepaald deel van de rechtsleer heeft de gerechtsdeurwaarder, die op grond van artikel 51 van Boek III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek (dat voorziet in een “Verkoop”) door de pandhouder gelast wordt met de openbare of onderhandse verkoop of met de verhuur van de goederen, op basis van de bestaande wet reeds de bevoegdheid om op deze goederen een sui generis beslag te leggen teneinde deze onbeschikbaar te maken (zie E. DIRIX, “Commentaar bij art. 47-56 Pandwet”, in Voorrechten en hypotheken: artikelsgewijze commentaar, afl. 54, Kluwer, Mechelen, 9, nr. 8). Dergelijke bevoegdheid is echter niet expliciet in de huidige wet voorzien, terwijl het ook onduidelijk blijft vanaf wanneer de pandhouder van die bevoegdheid gebruik mag maken (zie R. FRANSIS, “Capita selecta  panduitwinning”, in Roerende zekerheden na de Pandwet, Intersentia, Antwerpen, 186, nr. 12). Dit amendement strekt er dan ook toe om een en ander in de tekst van artikel 48 van Boek III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek te verduidelijken en zodoende de rechtszekerheid op dat vlak te verhogen.

Vermijden van misbruiken bij pandgevers die geen consument zijn

De regeling thans voorzien in artikel 54 van Boek III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek houdt in dat het voor een pandgever volstaat om zich de facto te verzetten tegen de uitwinning (bijvoorbeeld door de toegang tot de verpande goederen te ontzeggen aan de pandhouder of de door hem aangestelde gerechtsdeurwaarder) om de pandhouder te dwingen een procedure te starten bij de beslagrechter. Aldus kan de pandgever ook zonder gegronde motieven de uitwinningsprocedure ernstig bemoeilijken en de kost daarvan verhogen. Omdat dergelijke houding geen bijzondere inspanning of kost inhoudt en de wet bovendien geen sanctie inhoudt voor dergelijke ongegronde weigering, valt te vrezen dat dit in de praktijk vaak zal voorkomen. Om dergelijke misbruiken te voorkomen en de werkbaarheid van het pand zonder buitenbezitstelling te vrijwaren, strekt dit amendement er toe een opschorting van de uitwinning door toedoen van de pandgever enkel mogelijk te maken indien hij zich binnen de wachttermijn van tien of desgevallend drie dagen tot de rechter wendt. Dit bewerkstelligt een beter evenwicht tussen enerzijds het voordeel voor de pandgever dat hij voorafgaand aan een uitwinning het bezit van de goederen kan behouden en anderzijds de rechtmatige aanspraken van de pandhouder bij uitwinning. Het voorstel wordt beperkt tot panden door pandgevers die geen consument zijn.

Clausules inzake eigendomsvoorbehoud en retentierecht: sessie tijdens de Intersentia Summer Class op donderdag 29 augustus 2019

Op donderdagnamiddag 29 augustus 2019 geeft dhr. Eric Dursin, kamervoorzitter hof van beroep Gent in Antwerpen een sessie over ‘Clausules inzake eigendomsvoorbehoud en retentierecht’ tijdens de Intersentia Summer Class, die integraal gewijd is aan het onderwerp  ‘Gemeenrechtelijke contractuele clausules. Een selectie van 8 clausules die bijzondere aandacht vragen in het licht van recente wetgeving en/of rechtspraak’.

 

2019-06-22T13:44:20+00:00 24 juni 2019|Categories: Burgerlijk recht - Verbintenissen- en zakenrecht|Tags: |