>, Verbintenissen- en zakenrecht>Geen vertragingsboete zonder aanmaning: Cassatie herhaalt de principes (Schoups)

Geen vertragingsboete zonder aanmaning: Cassatie herhaalt de principes (Schoups)

Auteur: Jérémy Vanderheyde (Schoups) 

Publicatiedatum: 30/11/2020

Vele overeenkomsten, zowel tussen ondernemingen en particulieren als tussen ondernemingen of particulieren onderling, bevatten clausules die voorzien in forfaitaire schadevergoeding (“boetes”) voor de laattijdige of gebrekkige uitvoering van de contractuele verbintenissen.

Het principe voor het bekomen van deze contractueel bedongen schadevergoedingen is duidelijk:

de schuldeiser kan pas aanspraak maken op een schadevergoeding nadat hij de schuldenaar in gebreke heeft gesteld om zijn verplichting na te komen (artikel 1146 BW), behoudens andersluidende contractuele regeling (zie verder).

Deze ingebrekestelling kan de vorm aannemen van een aanmaning of een gelijkaardige akte. Ook kan de overeenkomst bepalen dat het verstrijken van een bepaalde termijn de schuldenaar van rechtswege in gebreke stelt (artikel 1139 BW). Opdat er sprake is van een geldige ingebrekestelling, moet de schuldeiser op duidelijke en ondubbelzinnige wijze aan de schuldeiser meedelen dat de verbintenis moet worden uitgevoerd.

Ondanks het duidelijke principe, rijst vaak de vraag hoe een formele ingebrekestelling zich verhoudt ten opzichte van de wettelijke of contractuele boetes die verbonden zijn aan de niet-naleving van de verbintenis. Met andere woorden, moet de schuldeiser de schuldenaar bijkomend verwittigen voor de gevolgen die gepaard gaan met de niet-nakoming van de uit te voeren verbintenis, of zit dit vervat in de ingebrekestelling om de verbintenis uit te voeren?

Het is deze vraag die aanleiding gaf tot een recente uitspraak van het Hof van Cassatie. Het ging om een overeenkomst tussen twee ondernemingen, BVBA BOB en NV PSA, die een vertragingsboete bevatte voor het laattijdig uitvoeren van de contractuele hoofdverbintenis. Omdat NV PSA haar hoofdverbintenis niet nakwam, verstuurde BVBA BOB een brief waarin ze haar medecontractant duidelijk en ondubbelzinnig in gebreke stelde haar verbintenis uit te voeren.

Wegens de laattijdige nakoming van haar hoofdverbintenis door NV PSA, stelde BVBA BOB een vordering in tot inning van de contractueel voorziene vertragingsboete. Volgens NV PSA was deze vertragingsboete niet verschuldigd, omdat de ingebrekestelling enkel betrekking zou hebben op de uitvoering van haar verbintenis en niet op de vertragingsboete.

Het hof van beroep te Antwerpen volgde deze redenering en wees de vertragingsboete af omdat BVBA BOB nooit duidelijk en ondubbelzinnig had laten weten dat zij de vertragingsboete zou innen.

In haar arrest van 28 mei 2020 heeft het Hof van Cassatie het arrest van het hof van beroep vernietigd. Het Hof brengt eerst in herinnering dat het vorderen van een schadevergoeding enkel mogelijk is indien de schuldenaar voorafgaand duidelijk en ondubbelzinnig in gebreke is gesteld om zijn verbintenis na te komen. De schuldenaar moet met andere woorden een laatste mogelijkheid krijgen om zijn verplichtingen na te komen.

Daarbij benadrukt het Hof dat de vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling geen verplichting oplegt aan de schuldeiser om de schuldenaar te waarschuwen voor de wettelijke of contractuele gevolgen. Hieruit vloeit voort dat de schuldeiser niet moet wijzen op de vertragingsboete in het contract, aangezien deze boete het gevolg is van het laattijdig uitvoeren van de verbintenis door de schuldenaar.

Volgens het Hof heeft BVBA BOB haar medecontractant duidelijk in gebreke gesteld om haar verbintenis tijdig na te komen en is de betaling van de vertragingsboete verbonden aan deze verbintenis. Een aparte ingebrekestelling met betrekking tot de vertragingsboete is dus niet nodig. Door te oordelen dat dat een aparte ingebrekestelling wel vereist is, schendt het hof van beroep artikel 1146 BW.

Hiermee benadrukt het Hof van Cassatie het belang van de ingebrekestelling als instrument om een schadevergoeding te bekomen indien een contractant haar contractuele verplichtingen niet naleeft. De ingebrekestelling is niet enkel een laatste aanmaning aan de schuldenaar om zijn verbintenissen na te komen. Impliciet heeft de ingebrekestelling ook als gevolg dat de schuldeiser de sancties die aan deze verbintenissen verbonden zijn, ten uitvoer kan brengen wanneer de schuldenaar de verbintenissen niet nakomen.

Dit betekent ten slotte niet dat een rechtbank de contractuele schadebedingen, waaronder vertragingsboetes, steeds volledig zal toekennen. Indien het forfaitair overeengekomen bedrag kennelijk het bedrag te boven gaat dat partijen konden vaststellen ter vergoeding van de schade wegens het niet-uitvoeren van de overeenkomst op het ogenblik van de contractsluiting, dan heeft de rechter de mogelijkheid om dit schadebeding te verminderen (art. 1231 §1, eerste lid BW). In een ander recent arrest bracht het Hof van Cassatie nog in herinnering dat de rechter het bedrag van de forfaitaire schadevergoeding ook kan verminderen wanneer de hoofdverbintenis gedeeltelijk is uitgevoerd (art. 1231 § 2 BW) (arrest van 18 juni 2020). Voor verdere informatie over deze matigingsbevoegdheid, verwijzen wij naar onze nieuwbrief van 31 juli 2017.

Lees hier het originele artikel

2020-12-11T08:04:06+00:00 11 december 2020|Categories: Verbintenissen- en zakenrecht - Handelsrecht|Tags: , |