>>>De imprevisieleer versus de overmachtsleer (Prof. em. dr. Aloïs Van Oevelen)

De imprevisieleer versus de overmachtsleer (Prof. em. dr. Aloïs Van Oevelen)

Auteur: Prof. em. dr. Aloïs Van Oevelen

Publicatiedatum: 09/06/2020

Dit is een uittreksel uit de tekst ‘Overmacht en imprevisie in het Belgische contractenrecht’, een  geactualiseerde tekst van een hoofdstuk van het boek ‘Overmacht’, een uitgave Intersentia (2015).

Van de overmachtsleer moet de imprevisieleer worden onderscheiden. Deze laatste houdt in dat na de totstandkoming van de overeenkomst met opeenvolgende prestaties zich abnormale en redelijkerwijze onvoorzienbare omstandigheden voordoen, die niet aan de fout van één van de partijen zijn toe te rekenen, waarvan geen van de partijen het financiële risico op zich heeft genomen en die de nakoming van de verbintenis(sen) door één van de partijen weliswaar niet onmogelijk maken, maar wel in aanzienlijke mate verzwaren of bemoeilijken, waardoor het contractuele evenwicht ernstig wordt verstoord en in welk geval aan de rechter de bevoegdheid wordt verleend om de overeenkomst te ontbinden of aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden. Daarbij valt, bij wijze van voorbeeld, te denken aan de weerslag van een plotse en belangrijke devaluatie op de overeengekomen prijs, aan een oorlog die de normale economische verhoudingen heeft ontwricht of aan een langdurige en diepgaande economische crisis. De overmachts- en de imprevisieleer hebben met elkaar gemeen dat zich na de totstandkoming van de overeenkomst omstandigheden voordoen die bij de totstandkoming redelijkerwijze onvoorzienbaar waren. Het essentiële verschil tussen beide leerstukken is dat bij overmacht die omstandigheden de nakoming van de verbintenis onmogelijk maken en dat bij de imprevisieleer die omstandigheden de nakoming van de verbintenis zodanig bemoeilijken of verzwaren dat de schuldenaar, indien hij die omstandigheden bij de contractsluiting had kunnen voorzien, hij die verbintenis niet op zich zou hebben genomen. Een ander verschilpunt tussen de overmachts- en de imprevisieleer betreft de gevolgen van beide rechtsfiguren : wanneer overmacht een blijvende hinderpaal vormt voor de nakoming van de verbintenis, gaat die verbintenis teniet, en in de regel ook de overeenkomst waaruit zij voortvloeit, terwijl de imprevisieleer er eerder op gericht is om aan de rechter de bevoegdheid te verlenen om de overeenkomst aan te passen. Het dient echter te worden erkend dat het onderscheid tussen beide leerstukken in de praktijk niet altijd gemakkelijk te maken is.

Behoudens in specifieke in de wet omschreven gevallen, heeft de imprevisieleer geen ingang gevonden in de heersende Belgische rechtspraak en rechtsleer. De argumenten die hiervoor worden ingeroepen zijn hoofdzakelijk dat de geldig aangegane overeenkomsten de partijen tot wet strekken (art. 1134, eerste lid, B.W.) en dat de rechter daaraan geen afbreuk mag doen, en dat alleen wanneer de abnormale en onvoorzienbare gebeurtenis overmacht oplevert, d.w.z. de nakoming van de verbintenis voor de schuldenaar niet alleen ernstig bemoeilijkt maar ook werkelijk onmogelijk maakt, de schuldenaar van zijn verbintenis bevrijd is.

In twee arresten van 1994 heeft het Hof van Cassatie er nog aan toegevoegd dat de verplichting om de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren (art. 1134, derde lid, B.W.), niet meebrengt dat de schuldeiser, als zich dergelijke abnormale en onvoorzienbare omstandigheden voordoen, niet de ongewijzigde nakoming van de oorspronkelijke verbintenis van zijn schuldenaar mag vorderen, zij het dat het Hof in zijn arrest van 14 april 1994, maar niet in dat van 7 februari 1994, wel voorbehoud heeft gemaakt voor het geval dat de schuldeiser misbruik van zijn rechten zou hebben gemaakt. Een ander argument ter afwijzing van de imprevisieleer is de terughoudendheid van de rechtscolleges om regulerend en rechtscheppend op te treden bij onvoorzienbare omstandigheden.

In verschillende Europese rechtsstelsels wordt de imprevisieleer wel aanvaard en wordt daartoe als grondslag de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten gehanteerd.

Ook de internationale contractpraktijk doet, via de hardship-clausules, veelvuldig een beroep op de imprevisieleer. In de recentelijk goedgekeurde Unidroit Principles of international commercial contracts (art. 6.2.2. e.v.) en in de Principles of European contract law (art. 2.117) wordt de imprevisieleer eveneens erkend. Uit deze buitenlandse voorbeelden blijkt dat de bezwaren die, voornamelijk op grond van het argument van de rechtszekerheid, in België tegen de imprevieleer worden aangevoerd, minder sterk doorwegen dan vaak wordt gedacht Met zijn afwijzing van de imprevisieleer komt het Belgische recht, zoals overigens ook het Franse, inzonderheid bij internationale commerciële contracten, wat geïsoleerd te staan.

Wat de internationale koopcontracten betreft, heeft het Hof van Cassatie recentelijk toch een opening naar de imprevisieleer gelaten via de invulling van het begrip “verhindering” in artikel 79 (1) van het Weens Koopverdrag, waarin wordt bepaald dat een partij niet aansprakelijk is “voor een tekortkoming in de nakoming van een van haar verplichtingen, indien zij aantoont dat de tekortkoming werd veroorzaakt door een verhindering die buiten haar macht lag en dat van haar redelijkerwijze niet kon worden verwacht dat zij bij het sluiten van de overeenkomst met die verhindering rekening zou hebben gehouden of dat zij deze of de gevolgen ervan zou hebben vermeden of te boven zou zijn gekomen”.

De vraag rijst of deze bepaling enkel betrekking heeft op gebeurtenissen die als overmacht moeten worden gekwalificeerd, dan wel of hiermee ook de omstandigheden en situaties worden bedoeld die onder de imprevisieleer vallen. In de doctrine bestaat er hierover geen eensgezindheid, maar er lijkt nu toch wel een meerderheidsopvatting te zijn dat de uitdrukkelijke regeling van overmacht in artikel 79 Weens Koopverdrag niet impliceert dat dit verdrag een aanpassing van het contract wegens onvoorziene omstandigheden uitsluit en dat er dan sprake is van een leemte die moet worden opgevuld.

In een arrest van 19 juni 2009 heeft het Hof van Cassatie zich bij deze meerderheidsopvatting aangesloten en heeft het beslist dat “Gewijzigde omstandigheden die niet redelijkerwijze voorzienbaar waren bij de contractsluiting en die onmiskenbaar van aard zijn om de last van de uitvoering van de overeenkomst op onevenredige wijze te verzwaren, een verhindering uitmaken in de zin van deze  verdragsbepaling” gebaseerd, geen te strak en statisch contractbegrip hanteert. Zeker bij langlopende overeenkomsten dient de voorkeur uit te gaan naar een meer dynamische benadering van de overeenkomst, waarbij erop wordt gelet dat het evenwicht tussen de partijen niet fundamenteel wordt verstoord. Met verwijzing naar artikel 7.1) Weens Koopverdrag, dat handelt over de uitlegging van dit verdrag, en naar artikel 7.2) Weens Koopverdrag, dat bepaalt dat vragen betreffende leemten in dit verdrag “worden opgelost aan de hand van de algemene beginselen waarop dit verdrag berust, of bij ontstentenis van zodanige beginselen, in overeenstemming met het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht”, beslist het Hof vervolgens: “Voor een eenvormige invulling van de leemten moet aldus aansluiting worden gezocht bij de algemene beginselen die het recht van de internationale handel beheersen. Krachtens deze beginselen, zoals onder meer neergelegd in de  Unidroit Principles of International Commercial Contracts, is de contractpartij die een beroep doet op gewijzigde omstandigheden waardoor het contractuele evenwicht fundamenteel wordt verstoord ook gerechtigd om de heronderhandeling van de overeenkomst te vorderen.”. Indien, zoals in dit concrete geval, de imprevisieleer wordt aanvaard, verbindt het Hof van Cassatie hieraan een passend rechtsgevolg, namelijk de mogelijkheid dat de partijen komen tot een aanpassing van de overeenkomst.

2021-02-26T10:21:00+00:00 9 juni 2020|Categories: Verbintenissen- en zakenrecht|Tags: , |