>>>Inbreng en inkorting van de schenking van gemeenschapsgoederen: het Hof van Cassatie neemt stelling in (Deloitte Legal)

Inbreng en inkorting van de schenking van gemeenschapsgoederen: het Hof van Cassatie neemt stelling in (Deloitte Legal)

Auteur: Greenille Private Client Team / Deloitte Legal

Publicatiedatum: 22/03/2021

De laatste jaren vloeide er heel wat inkt over de wijze van inbreng en inkorting van een schenking van een gemeenschapsgoed. Wat is impact van een keuzeof verblijvingsbeding op de verrekening van de schenking?

Cassatie 7 december 2020

De feiten waren de volgende. Een koppel was gehuwd onder een stelsel van gemeenschap van goederen. Later wijzigden de echtgenoten hun huwelijkscontract en bedongen ze dat het volledige gemeenschappelijke vermogen zou toekomen aan de langstlevende van hen als deze daarvoor koos.

Nadien deden zij een schenking aan één van hun twee kinderen. Bij het overlijden van één van de twee echtgenoten, koos de langstlevende voor de volledige toebedeling van het gemeenschappelijke vermogen in volle eigendom.

Naar aanleiding daarvan rees de vraag hoe de verrekening van de schenking moest gebeuren in de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot. Voor de helft omdat de schenking door beide echtgenoten samen gebeurde, of helemaal niet omwille van het verblijvingsbeding? Volgens het hof van beroep te Gent is er enkel verrekening in de nalatenschap van de langstlevende. Het verblijvingsbeding bepaalt dus de verrekening van de schenking. Het Hof van Cassatie volgt die redenering. Volgens het Hof is er slechts verrekening in de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot in de mate dat de geschonken goederen, indien zij niet geschonken werden, in zijn/haar nalatenschap zouden vallen.

Met die uitspraak maakt het Hof van Cassatie een einde aan de discussie in de rechtsleer. Volgens de klassieke leer dient de erfrechtelijke verrekening te gebeuren voor de helft in de nalatenschap van elke echtgenoot. De contractuele verhoudingen van de schenking liggen volgens hen immers vast op het moment van de schenking. De schenking van het gemeenschapsgoed gebeurt door beide ouders: zij schenken elk de helft van het goed. Er dient een gelijke verrekening te gebeuren in de nalatenschap van beide ouders, ongeacht of er voor of na de schenking tussen de echtgenoten afspraken werden gemaakt omtrent de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen. De moderne strekking vertrekt vanuit de primauteit van het huwelijksvermogensrecht. De inbreng en inkorting van de schenking bij overlijden zijn afhankelijk van de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. Een gemeenschappelijk vermogen is immers anders dan een onverdeeldheid. De echtgenoten schenken inderdaad samen het goed in zijn geheel, maar welke echtgenoot uiteindelijk de schenking doet is afhankelijk van de afwikkeling van het huwelijksvermogensstelsel. Het is ook deze primauteit die volgens het Hof van Cassatie doorslaggevend is.

Draagwijdte van het arrest

De uitspraak van het Hof van Cassatie bracht inmiddels heel wat pennen in beweging. Een aantal auteurs stelt zich vragen bij de draagwijdte van dit arrest.

Het Hof spreekt zich in dit arrest immers enkel uit over een schenking van een gemeenschapsgoed door beide echtgenoten. Wat nu indien een schenking uit het gemeenschappelijk vermogen geschiedt door één echtgenoot, met instemming van de andere in combinatie met een beding van ongelijke verdeling? Aangezien het Hof van Cassatie in dit arrest kiest voor de primauteit van het huwelijksvermogensrecht, zijn wij ervan overtuigd dat deze zienswijze naar analogie toegepast moet worden op andere situaties waarbij gemeenschapsgoederen worden geschonken. Daaruit volgt dat de verrekening van de schenking door één van de twee schenkers, ook afhankelijk is van de afwikkeling van het huwelijksvermogensstelsel. De instemming van de andere echtgenoot, bindt het gemeenschappelijk vermogen immers op dezelfde wijze als wanneer beide echtgenoten samen schenken.

Lees hier het originele artikel