>>>Erfrecht en verjaring hebben een moeilijke verhouding tot elkaar (Argus Advocaten)

Erfrecht en verjaring hebben een moeilijke verhouding tot elkaar (Argus Advocaten)

Auteur: René Kumpen (Argus Advocaten)

Publicatiedatum: 26/06/2020

Het komt herhaaldelijk voor dat ouders gelden in bezit stellen van één van hun kinderen met diverse bedoelingen, soms ook gewoon om minder erflasten te betalen na hun overlijden.

Hieruit kunnen erfrechtelijke geschillen ontstaan : beweringen van bancaire schenking of beweringen van teruggave aan de erflater, of beweringen van latere bestemming ten gunste van de ouder.

Het juridisch bezit wordt dan onzeker : is het een bancaire handgifte, dus een schenking of is het een bewaarneming?

Wie aanvoert dat het een schenking is draagt de bewijslast van de “wil om te schenken”, en vaak is dit niet aanwezig indien er geen begeleidende documenten werden opgesteld.

Dan kan men nog altijd terugvallen op de “bewaarneming”. Welk zijn de risico’s die hIermee gepaard gaan? En wat indien het ‘bewaarde’ vermogen is verdwenen of in waarde is verminderd? Wat indien de ‘bezitter’ van het geld zich verdedigt door te stellen dat de vordering tot afgifte verjaard is?

Betreft het een persoonlijke vordering met korte verjaringstermijn?

Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

Volgend antwoord kan dan rust brengen  : een persoonlijke rechtsvordering  tot teruggave of tot het afleggen van rekenschap verjaart niet overeenkomstig artikel 2262 bis B.W., vermits de vordering tot inbreng van schulden als een verdelingsprocedé moet worden aanzien waarbij de erfgenamen optreden als mede-eigenaars van de erfrechtelijke goederen en niet als schuldeisers. De erfgenamen treden dan op, op grond van hun eigen recht, en niet als erfopvolgers van de erflater waardoor de vordering tot inbreng van schulden als onverjaarbaar dient te worden aanzien, net als de vordering tot verdeling zelf.

Overeenkomstig artikel 829 B.W. (oud) dient elke erfgenaam de sommen die hij aan de nalatenschap verschuldigd is in de massa in te brengen. Een loutere bewering van teruggave van gelden zal niet bewijswaardig worden bevonden.

Van zodra het bestaan en het voorwerp van de bewaargeving bewezen wordt, draagt de bewaarnemer immers de bewijslast dat hij de zaak teruggeven geeft, een loutere bewering daartoe volstaat niet.

Wanneer de bewaarnemer niet kan verantwoorden dat de gelden werden aangewend ten behoeve van diegene van wie ze afkomstig zijn, blijft de verplichting tot teruggave van gelden behouden en worden deze sommen aangerekend aan de bewaarnemer, ook wanneer het vermogen in waarde is verminderd of is verdwenen.

Lees hier het originele artikel

2020-07-02T14:28:41+00:00 4 juli 2020|Categories: Personen- & Familierecht|Tags: , , |