>>>Echtscheiding. De onherstelbare ontwrichting en het verstrijken van een termijn (art. 229, § 3 BW) (Steven Brouwers)

Echtscheiding. De onherstelbare ontwrichting en het verstrijken van een termijn (art. 229, § 3 BW) (Steven Brouwers)

Auteur: Steven Brouwers (Advocaat-bemiddelaar in familiezaken, docent UAntwerpen PAO Bemiddeling)

Publicatiedatum: 02/06/2020

Dit is een uittreksel uit de tekst ‘Overzicht van rechtspraak. Echtscheiding en scheiding van tafel en bed 2012-2019 (bijgewerkt tot 1 mei 2020) van mr. Steven Brouwers, een onderdeel van de cursus van de webinar ‘Echtscheiding anno 2020: een praktijkgerichte analyse’ op donderdagnamiddag 11 juni 2020.

1. Het vorderen van de echtscheiding op grond van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, kan worden opgedeeld in drie, zogenaamde onder-categorieën of ‛sub-gronden’ al naargelang de echtscheiding door beide echtgenoten gezamenlijk dan wel door een van beide wordt gevraagd. Deze ‛sub-gronden’ zijn:

  • de bewezen onherstelbare ontwrichting (art. 229, § 1 BW);
  • de onherstelbare ontwrichting als gevolg van het verstrijken van een termijn van feitelijke scheiding (artikel 229, § 2 en § 3 BW);
  • de onherstelbare ontwrichting als gevolg van het verstrijken van een procedurele termijn (art. 229, § 2 en § 3 BW).

Wat de twee laatste sub-gronden betreft kan de termijn al bereikt zijn bij de aanvang van de procedure en dan kan gesproken worden van een niet procedurele feitelijke scheiding of moet de termijn worden ingevuld door het verloop van de procedure zelf en dan kan gesproken worden van een procedurele feitelijke scheiding. In dit laatste geval beschikt de feitenrechter niet over enig appreciatierecht. Zelfs indien partijen nog samenwonen, zal de echtscheidingseis op grond van artikel 229 § 3 BW weerhouden worden, indien een van de partijen dat verzoekt op de zitting die onmiddellijk volgt op het verstrijken van een jaar na de eerste zitting. Wanneer de ene echtgenoot op het gelijkvloers woonachtig is en de andere op een ondergrondse verdieping van dezelfde woning, kan de echtscheidingseis op grond van artikel 229 § 3 BW worden weerhouden[1]. Bepaalde rechtspraak aanvaardt dit echter niet en eist het bewijs van een daadwerkelijke feitelijke scheiding[2]. In een arrest van 17 december 2014 oordeelde het hof van beroep te Antwerpen dat het vermoeden van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk bij herhaald verzoek na een jaar, een weerlegbaar vermoeden is[3]. De rechter kan een hervatting van het echtelijk samenleven (in een tijdspanne van zes jaar, hangende de procedure) betrekken bij de beoordeling van de gegrondheid van de gevorderde echtscheiding bij toepassing van artikel 229 § 3 BW, ook al is de verzoening sinds 2007 geen grond van verval meer. Het hof was van oordeel dat met vermoedens omzichtig moet worden omgesprongen omdat zij een uitzondering maken op de klassieke bewijsregels. In een casus waarover het hof van beroep te Gent moest oordelen werd het materieel element van de feitelijke scheiding niet betwist, het intentioneel element wel. Er was een feitelijke scheiding ontstaan als gevolg van de langdurige opname van de man in een rust- en verzorgingstehuis. Het hof was van mening dat het intentioneel element enkel van belang is bij een niet procedurele feitelijke scheiding van meer dan een jaar. Bij een procedurele feitelijke scheiding zoals bepaald in het artikel 229 § 3 BW volstaat het tijdsverloop en de herhaalde wil tot echtscheiding. Dit sluit elke verdere beoordeling uit[4]. In het arrest van 3 maart 2016[5] ontkracht volgens datzelfde hof een vagelijk beweerde en onbewezen verzoening de sub-grond van de dubbele verschijning met reflectieperiode zoals bepaald in artikel 229 § 3 BW, niet. Het hof van beroep te Brussel was m.b.t. het artikel 229, § 3 BW eveneens van oordeel dat het feit dat er een feitelijke scheiding is van meer dan een jaar een onweerlegbaar vermoeden vormt van onherstelbare ontwrichting. Het gegeven dat de andere echtgenoot tracht aan te tonen dat dit niet het geval was omwille van mails en sms berichten waaruit nog een zekere affectie bleek tussen de echtgenoten, doet niet meer ter zake, de rechter hoeft dit niet meer te onderzoeken[6].

Uit het voorgaande kan besloten worden dat de rechter een appreciatiebevoegdheid heeft wanneer er sprake is van een verzoening vóór het instellen van de echtscheidingsvordering. Hij moet vaststellen of er een onherstelbare ontwrichting is of niet. Bij een herhaald verzoek na een (procedurele) reflectieperiode hetzij door de echtgenoot-eiser, hetzij door de echtgenoot-verweerder bestaat die appreciatie mogelijkheid niet meer. Er mag immers van uitgegaan worden dat indien er een door beide echtgenoten gedragen verzoening tussenkwam, noch de ene noch de andere de tweede aanvraag tot echtscheiding zal doen. Wat zou immers de zin kunnen zijn om aan de echtgenoten een (procedurele) reflectietermijn op te leggen, indien die echtgenoten geen enkele zekerheid zouden hebben om daarna de echtscheiding te kunnen vorderen. Sinds de Echtscheidingswet van 2007 bestaat er een ‘recht op echtscheiding’.

Indien er geen termijn van feitelijke scheiding is van meer dan een jaar en er een aanvullende reflectietermijn nodig is om de termijn van één jaar te bereiken dan heeft de rechter wel een appreciatiebevoegdheid m.b.t. het niet procedurele gedeelte van de termijn (dus vóór de inleiding) maar niet betreffende het procedurele gedeelte. Hij kan overigens dat procedurele gedeelte verlengen in functie van zijn beoordeling over het al of niet bestaan van een feitelijke scheiding in het niet-procedurele gedeelte. In het supra aangehaalde arrest van 17 december 2014 greep het hof van beroep te Antwerpen terug op het begrip ‘weerlegbaar vermoeden’ om de verzoening te betrekken bij de beoordeling van de echtscheidingseis. Wij denken dat dit uitgangspunt kan bekritiseerd worden. Uit de parlementaire werkzaamheden in de Senaat blijkt dat er discussie bestond over het al dan niet weerlegbaar karakter van het wettelijk vermoeden waarvan aanvankelijk sprake was in artikel 229, § 2 en § 3 BW. Enigszins in strijd met de verklaringen afgelegd in de Kamer van volksvertegenwoordigers, stelde de minister van Justitie in de Senaat dat de vermoedens weerlegbaar zijn, en dit om reden dat wanneer een vermoeden onweerlegbaar is, dit uitdrukkelijk in de wettekst moet worden vermeld wat in het wetsontwerp niet het geval was. Op deze stelling werd door een aantal senatoren kritiek geuit. Uiteindelijk heeft de discussie geleid tot het aannemen van een amendement waarin de wettelijke vermoedens werden vervangen door een grondregel zoals die thans uitdrukkelijk blijkt uit de wettekst. De Antwerpse appelrechter had zich dus kunnen beperken tot een strikte toepassing van die grondregel. Op de tweede zitting, vastgesteld op een datum die onmiddellijk volgt op het verstrijken van de termijn van één jaar na de eerste zitting (in casu: 4 maart 2008, tweede zitting op 10 maart 2009), verscheen er niemand om de echtscheiding te vragen. Dit gebeurde slechts op een zitting meer dan vijf jaar na de tweede zitting. Dan was er niet meer voldaan aan de duidelijke bewoordingen van artikel 1255, § 2 tweede lid Ger. W. waarnaar artikel 229, § 3 BW verwijst (“… tijdens deze zitting spreekt de rechter de echtscheiding uit indien één van de partijen er om verzoekt.”). Het hof had zich daartoe kunnen beperken.

2. Noch in de wet zelf, noch in de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 april 2007 wordt aangegeven dat de tweede zitting waarvan sprake in artikel 229, § 3 BW en artikel 1255, § 2, tweede lid Ger.W., ten vroegste een jaar na de eerste zitting, noodzakelijk moet gebeuren in dezelfde aanleg. Het vereisen van twee zittingen waarop de echtgenoten of hun advocaat verschijnen in één en dezelfde aanleg, zou neerkomen op het toevoegen van een voorwaarde voor het verkrijgen van de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting die niet door de wet is vooropgesteld. Volgens het hof van beroep te Brussel kan het dus dat de eerste zitting zich situeert voor de familierechter en de tweede zitting voor het hof van beroep[7].

Webinars ‘Echtscheiding: 2 actuele topics’ (donderdagnamiddag 11 juni 2020)

Eerste webinar: Echtscheiding anno 2020: een praktijkgerichte analyse (incl. Q&A)
(mr. Steven Brouwers, advocaat-bemiddelaar in familiezaken, docent UAntwerpen PAO Bemiddeling)

  • Echtscheiding op grond van Onherstelbare Ontwrichting (EOO)
  • Echtscheiding door Onderlinge Toestemming (EOT)

Tweede webinar: Onderneming en echtscheiding (incl. Q&A)
(mr. Sofie Longerstay, advocaat Divide Law)

  • Inleiding: samen ondernemen, waarop letten?
  • Eigendomsstatuut is de eerste vraag in elke casus
  • Gevolgen echtscheiding voor de onderneming en de echtgenoten
  • Geschillenregeling en echtscheiding: clash vennootschapsrecht en huwelijksvermogensrecht
  • Problematiek van de gezinswoning in de vennootschap en echtscheiding
  • Georkestreerd faillissement ?

Meer informatie 

[1] Brussel 4 april 2011, T.Not. 2012, 298, noot C. De Busschere.

[2] Rb. Brussel 13 juni 2012, RTDF 2013, 947, noot J.-L. Renchon.

[3] Antwerpen 17 december 2014, RW 2014-15, 1193.

[4] Gent 22 oktober 2015, T.Fam. 2017, 91, noot E. Vanhaverbeke en RW 2017-18, 508.

[5] Gent 3 maart 2016, RABG 2016, 1124, noot S. Brouwers.

[6] Brussel 26 september 2013, JLMB 2014, 287; zie ook Bergen 2 februari 2015, JLMB 2016, 41. 

[7] Brussel (42e k.) 4 december 2018, RABG 2020, 239, noot M. Govaerts.

2020-05-30T09:53:29+00:00 2 juni 2020|Categories: Personen- & Familierecht|Tags: , |