>>>Conventionele onverdeeldheid bij echtscheiding door onderlinge toestemming (Steven Brouwers)

Conventionele onverdeeldheid bij echtscheiding door onderlinge toestemming (Steven Brouwers)

Auteur: Mr. Steven Brouwers (advocaat-bemiddelaar in familiezaken, docent UAntwerpen, PAO Bemiddeling)

Publicatiedatum: 14/11/2018

1. Partijen kunnen beslissen om voor bepaalde goederen in onverdeeldheid te blijven. Dit kunnen zowel roerende als onroerende goederen zijn, doch meestal gaat het wel om onroerende goederen, in het bijzonder de gezinswoning.
Er kunnen drie mogelijkheden worden onderscheiden:

a) Vooreerst kan de verdeling eenvoudig uitgesteld worden tot na de echtscheiding zodat bij gelijke rechten van beide echtgenoten een verwijzing naar artikel 577-2 BW kan volstaan. Bij toepassing van artikel 815, eerste lid BW kan elke partij, eens de echtscheiding uitgesproken, de verdeling vorderen. Aanvullende modaliteiten zoals de verdeling van koopprijs en lasten kunnen bepaald worden.

b) De echtgenoten kunnen ook beslissen een goed in onverdeeldheid te houden bij toepassing van artikel 815, tweede lid BW. Deze overeenkomst geldt dan voor een tijdsspanne van maximaal vijf jaar. Daarbij is het nuttig het vertrekpunt van de termijn van onverdeeldheid te specificeren. Zo niet werkt de onverdeeldheid terug tot op de dag van de neerlegging van het verzoekschrift ter griffie overeenkomstig het gemeen recht van artikel 1304, tweede lid Ger.W. en gaat er reeds een stuk van de termijn verloren.

c) Indien de termijn van vijf jaar te kort is, kunnen de echtgenoten ook een onverdeeldheid overeenkomen buiten het raam van artikel 815 BW (dus louter conventioneel). Deze eventualiteit gaf echter geen zekerheid. Artikel 815 BW (tweede lid) laat wel vernieuwingen toe, doch men kan er zich niet vooraf toe verbinden.

Volgens W. Pintens bepleiten twee argumenten de wettelijkheid van een onverdeeldheid voor een termijn van meer dan vijf jaar:

  • De echtgenoten gaan een dading aan over hun rechten en kunnen aldus afwijken van artikel 815, tweede lid BW naar analogie van de afwijking van de regels van de onveranderlijkheid van de huwelijkse voorwaarden en van het verbod op overeenkomsten over toekomstige nalatenschappen.
  • Een tweede argument ligt in het karakter van de onverdeeldheid. Anders dan bijvoorbeeld bij het openvallen van een nalatenschap waarbij de toevallige onverdeeldheid tussen erfgenamen krachtens de wet tot stand komt, wordt hier de onverdeeldheid vrijwillig tot stand gebracht. Artikel 815 BW is niet van toepassing op de vrijwillige onverdeeldheid die met een bepaald doel wordt tot stand gebracht, zolang de overeenkomst uitwerking heeft.

2. Voorzichtigheid was nochtans geboden vermits voormelde stelling niet algemeen werd aanvaard. In het arrest van 20 september 2013 oordeelde het Hof van Cassatie echter in het voordeel van deze stelling en dit in de volgende bewoordingen: “Artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, waarvan het eerste lid bepaalt dat niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en dat de verdeling te allen tijde kan worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling, is niet van toepassing op de vrijwillige onverdeeldheid in hoofdzaak.”.

Het Hof van Cassatie heeft deze visie, weliswaar impliciet, nogmaals bevestigd in een arrest van 6 maart 2014. In dit arrest oordeelt het Hof dat er bij verval van het tontinebeding wegens de beëindiging van de relatie een gewone onverdeeldheid ontstaat. De aard van de onverdeeldheid is bijgevolg gewijzigd van een conventionele onverdeeldheid ten tijde van het tontinebeding in een gewone onverdeeldheid na beëindiging van de relatie. Hierdoor valt deze onverdeeldheid volgens het Hof van Cassatie nu wel onder het toepassingsgebied van artikel 815 BW. De uit onverdeeldheidtreding kan dan te allen tijde worden gevorderd. In tegenstelling tot het voormelde arrest kon het Hof van Cassatie in het arrest van 20 september 2013 in vrij eenvoudige bewoordingen stellen dat artikel 815 BW niet van toepassing is op een vrijwillige onverdeeldheid. De casus was ook eenvoudiger. Het ging om een gezamenlijk door oogartsen aangekocht lasertoestel bestemd voor gezamenlijk gebruik. Hierdoor bevond het zich in een toestand van vrijwillige onverdeeldheid. Blijkbaar kwam er een breuk in de samenwerking tussen de oogartsen en vorderde een van hen de vereffening van de onverdeeldheid m.b.t. het toestel. De feitenrechter beval de verdeling bij toepassing van artikel 815 BW. Hij stelde een deskundig aan om de waarde van het lasertoestel te ramen vermits dit niet in natura kon worden verdeeld. Anders dan de feitenrechter stelde het Hof van Cassatie expliciet dat artikel 815 BW hier niet van toepassing was. Het arrest is een princiepsarrest en het werd uitvoerig becommentarieerd in de rechtsleer. Onze voorkeur echter gaat naar het arrest van 6 maart 2014, als we dat tenminste zo mogen uitdrukken. Immers door de consequente toepassing van de visie verkondigd in het eerste arrest van 20 september 2013, komt het tweede arrest tot precies het omgekeerde resultaat. Artikel 815 BW is weer van toepassing indien de ratio w.z. het nagestreefde doel van de conventionele onverdeeldheid bereikt werd of deze geen reden van bestaan meer heeft. Er ontstaat dan een gewone onverdeeldheid waarop artikel 815 BW wel van toepassing is.

Dit brengt ons tot de volgende vraag. Hoelang kan zo’n vrijwillige onverdeeldheid meegaan? Niemand kan zich immers levenslang verbinden zonder opzegmogelijkheid. Om te vermijden dat men in situaties terecht komt als deze waarover het Hof van Cassatie diende te oordelen voorziet een overeenkomst om in onverdeeldheid te blijven best in een concrete termijn, hetzij minstens impliciet met welke concrete bedoeling (en derhalve hoelang) de onverdeeldheid wordt aangehouden. De rechtbank van eerste aanleg te Gent oordeelde in een casus dat het tussen de partijen gesloten beding om gedurende “een bepaalde tijd” in onverdeeldheid te blijven met betrekking tot de woning te vaag geformuleerd was wat betreft de bedoeling en de duur van de aangehouden onverdeeldheid. De rechtbank verklaarde het beding dan ook nietig. Een beding in een regelingsakte voorafgaand aan een echtscheiding door onderlinge toestemming dat stelt dat de voormalige gezinswoning in onverdeeldheid zal blijven zolang “er nog kinderen in huis zijn” lijkt ons ook te vaag. Het beding dat stelt dat de onverdeeldheid in stand wordt gehouden “totdat het laatste kind van partijen uit de woning zal zijn verhuisd” is al concreter. De formulering dat de voormalige gezinswoning in onverdeeldheid blijft totdat de ex-echtgenoot die er woont de “pensioengerechtigde leeftijd zal hebben bereikt” is te verkiezen boven “ het op pensioen gaan” van deze ex. Het is dus opletten geblazen om niet in interpretatieproblemen verzeild te geraken.

3. Beide hiervoor besproken arresten stelden een einde aan een jarenlange onenigheid over de draagwijdte van artikel 815 BW. In het eerste arrest (het expliciete) werd de knoop doorgehakt. In het tweede (het impliciete) werd de gebruiksaanwijzing geleverd van het ingenomen standpunt. Ten slotte willen we nog een ‘houvast’ meegeven voor de arme rechtspracticus die het volle gewicht op zijn schouders krijgt van een ‘procedurebestendige redactie’ van een conventionele onverdeeldheid. Dit houvast komt uit een vonnis van de familierechtbank te Antwerpen van 30 november 2017. Het luidt als volgt: “Elk beding waarbij het vrije verkeer van de goederen wordt beperkt moet voldoen aan een dubbele geldigheidsvereiste: 1) beperkt zijn in de tijd en 2) ingegeven door een wettig belang. Hieruit wordt afgeleid dat de duurtijd in principe niet langer mag zijn dan voor de realisatie van het doel noodzakelijk is”.

Lees hier de arresten van het Hof van Cassatie: 20 september 2013 / 6 maart 2014

Mr. Steven Brouwers behandelt dit onder meer tijdens de studienamiddag ‘EOT: de vermogensrechtelijke overeenkomst. Met speciale aandacht voor de impact  van de hervorming van het erf- en huwelijksvermogensrecht  en de procedurele wijzigingen door de wet van 25 mei 2018’, welke doorgaat in Kontich op 22 november 2018

Meer info over de studienamiddag vindt u hier

2018-11-13T09:24:02+00:00 13 november 2018|Categories: Burgerlijk recht - Personen- & Familierecht|Tags: |